De tovenaar en de wandelaar

Het was vroeg in de ochtend op een warme dag in juni – we woonden net in Bergen – dat ik het gordijn in de serre opzijschoof en oog in oog stond met een man. Ik schrok me rot, niet zozeer door de man maar door het feit dat hij zo dichtbij stond. Ik moest er nog aan wennen dat we omringd waren door water, we hebben geen hek of haag als afscheiding. Vanuit onze serre lag er enkel een slootje tussen ons in. 

Hij had iets vriendelijks over zich en mijn eerste impuls was toch zwaaien. De man, met een wit mutsje, een baardje en een legergroen jasje, in zijn rechterhand een harkje, reageerde niet. Hij keek me recht aan, maar zag me niet echt, zo leek het? En zo stonden we daar even, hij in de bosrand aan het water, ik in mijn serre, in mijn ochtendjas met mijn verwarde ochtendhaar. Tot hij ineens bukte en doorging met wat hij aan het doen was: harken tussen de bomen. 

In de jaren daarna zou ik hem steeds zien scharrelen in ‘zijn bosje’. Ik begon te zien hij dit al lang deed, er was een paadje ontstaan tussen de struiken. Hij was vaak druk met stapeltjes maken van kleine takjes, of gras wegtrekken tussen de struiken, wat hij dan weer op een ander plekje neerlegde. Dat alles in een heel rustig tempo en met veel aandacht. Heel subtiel allemaal voor een vrij chaotische rand vol bomen en struiken. Het werd een vertrouwde aanblik, de man met het witte mutsje tussen de bomen aan de waterkant.

Ik zag hem soms ook wel op andere plekken. Als ik aan het fietsen was, zag ik hem wel eens lopen op de paden ver buiten het dorp. Zijn licht gebogen houding, zijn legergroene jasje, een schoudertas, zijn blik naar beneden, flink de pas erin. Als onze paden elkaar kruisten, dan groette ik hem. Hij groette altijd terug maar ik merkte ook dat hij altijd een klein beetje schrok, alsof hij gestoord werd. Dus daar ben ik mee gestopt.

Het letterlijk oog in oog staan gebeurde nog één keer. Het was weer vroeg in de ochtend. Ik had een volle werk coachingsdag in Amsterdam in het verschiet en wilde voor de files uit wegrijden. Gedoucht, gekleed en in de make-up, schoof ik ietwat gehaast het gordijn opzij en daar stond de tovenaar. Zo noemde ik hem inmiddels. Dat kwam doordat onze jongste zoon op een dag zei dat hij de man best eng vond, zo scharrelend dichtbij ‘wat doet die man in dat bosje, is hij gek ofzo?’ ‘Volgens mij niet’, zei ik, ‘een beetje verward misschien?’ En na even denken zei ik: ‘Volgens mij is hij een soort tovenaar, die dingen onderhoudt die wij niet zien.’ Mijn zoon keek me aan en zei: ‘Mam, what the F, ik ben 15 hè?!’ 

Daar stond ik, dit keer op een vroege ochtend in de herfst, oog in oog met de tovenaar (ik bleef hem zo noemen) en dit keer hief hij zijn hand met het harkje omhoog. Ik zwaaide terug. Er was iets in zijn blik, dat maakte dat de hele situatie kantelde. Ik dacht ‘wie is hier nou verward?’ De hardwerkende vrouw in het huis met de serre en de gemaaide tuin, of de vrije scharrelaar in het bos?

Hij woont op de tweede verdieping van de sociale huurwoningen aan de andere kant van het water. Daar woont ook Hans. Hans wandelt de hele dag rond door Bergen, met een Albert Heijn tas in zijn ene hand en een pvc-buis in zijn andere hand. Met diezelfde hand trekt hij ook steeds zijn afzakkende broek omhoog. Hij is een uitgelaten man, die met regelmaat tegen Jan en alleman zegt ‘wat een mooie dag, hé, de zon schijnt!’ En soms zingt hij uit volle borst Nederlandse liederen. Enorme afstanden legt hij af, hij is eerder op pad dan de tovenaar (het komt wel eens voor dat ik ’s ochtends om 6 uur wakker schrik, ‘shit de vuilnis moet nog buiten’, en als ik die dan snel buitenzet, zie ik Hans al aan de wandel). En soms hoor ik hem ’s avonds rond 11 uur luid zingend thuiskomen, daar aan de andere kant van het water.

Hij loopt ook vaak even winkels of restaurants binnen. Uitgebreid het personeel groetend, en dan langs wat gasten, soms staat hij gerust even stil bij een tafeltje: ‘Is het lekker? Zo, jullie zijn aan het genieten, hè?’ en dan noemt hij op wat de mensen op hun bord hebben liggen. Ik vind dat heel grappig. 
Veel mensen in het dorp kennen hem, ik begreep dat hij ooit een daar bekende architect – werktuigbouwkundige was. Soms vragen ze: ‘Kom je even zitten, Hans?’ ‘Zitten? O nee’, zegt hij dan. ‘Zitten doe je in de gevangenis.’ Gelijk heeft hij. Al die mensen aan kleine tafeltjes, met hun groentesapjes, Latte’s, en Clubsandwiches, zitten misschien ook wel gevangen. Hij kan weer door. ‘Hou je goed hè!’ roept hij door de tent, en weg is hij.

Het is wonderlijk hoe je na verloop van tijd toch gehecht raakt. Dat merkte ik toen ik laatst ineens twee mannen uit het huis van Hans zag komen, met wat meubels. Ik schrok: gaat hij verhuizen, of erger: is hij overleden? Het liet me niet los, dus ik wandelde erheen. De deur stond open, de mannen waren binnen, de radio hard aan. Ik liep naar binnen en vroeg aarzelend: ‘Is er iets gebeurd met Hans?’ ‘Nee hoor, we knappen de boel een beetje op, dat doen we om de paar jaar.’ Ik keek om me heen: zijn huis bestond uit één kamer, met een bed, een tafel, een keukenblokje, een kapstok met kleren eraan, en een lange doek voor de ramen. De mannen stonden de muren te witten. 
Ik knikte opgelucht, en toen zei ik: ‘Ik woon daar, aan de overkant van de sloot, dus als er eens iets is, als ik iets kan doen, dan kan je bij me aanbellen.’ De mannen knikten. ‘Prima, bedankt.’ 

Ik liep terug naar huis. In de verte zag ik de tovenaar aankomen. Het was weer goed.
Ze wonen in mijn wijk, verruimen mijn blikveld en zetten mijn perspectief op z’n kop.
We zijn met elkaar verbonden. De tovenaar, de wandelaar en de vrouw in de serre, die dit alles gadeslaat en opschrijft.

Marthe van der Noordaa

Kamer in Kiev

Ik heb via Airbnb een kamer in Kiev geboekt. Een simpele kamer bij mensen thuis, als een directe manier om geld te doneren (Bnb rekent geen kosten), en om misschien even in contact te zijn met de mensen daar. Binnen een half uur kwam er een reactie van iemand uit Kiev. Ik vraag hem hoe de situatie nu is in Kiev. ‘Het luchtalarm is van tijd tot tijd aan, er zijn explosies op verschillende plekken in de stad, afgelopen nacht heeft een Russische raket een groot winkelcentrum vernietigd.’ Ze kunnen alleen boodschappen doen als er geen alarm is. Daar dus ook al.

Zo dichtbij, en zo gruwelijk wat zich daar allemaal afspeelt. Beelden van gehavende gebouwen, schuilende mensen, stromen vluchtende mensen, kapotgeschoten ziekenhuizen, scholen, theaters. Het gaat maar door. En ik zit hier. 
Ik ga voor het eerst weer even buiten zitten, na dagen Corona. Op een stoel in mijn tuin, de zon op mijn gezicht. Alles staat sinds vier weken in een ander licht, in een ander perspectief. 

Een Vlaamse Gaai landt op de rand van het vogelbad en hupt er dan in. Hij spettert alsof z’n leven ervan afhangt. Vier, vijf keer in de rondte, kopje losschudden en klaar! Schoon weer door. Er vliegt een bosje takjes door de lucht, er zit een heel klein vogeltje aan vast, richting een nestje in aanbouw. Gelukkig blijven vogels altijd weer nestjes bouwen en eieren leggen. 

Er is een baby geboren in het metrostation van Kiev en in schuilkelders in Dnipro worden de baby’s beschermd. Want de kinderziekenhuizen worden beschoten. Dat schendt niet alleen de afspraken (er gelden wetten en gebruiken in tijden van oorlog die bedoeld zijn om mensen te beschermen die niet meedoen aan de oorlog), maar vooral alle menselijke waarden. Het theater in Marioepol waar met grote letters in het Russisch ‘kinderen’ op staat is met de grond gelijkgemaakt.

De slechtheid van één man. We weten wie hij is. Hij is onderdeel van onze wereld. Hij heeft handen geschud en aan tafel gezeten met onze Europese leiders. 
Wie stopt hem?

Er is een belang. Altijd weer zijn er belangen. En belangen gaan meestal over geld. Olie, gas, geld, alsmaar geld. Het heilige goed van de afgelopen eeuw, van waaruit wordt gemeten en besloten en wordt weggekeken, als dat zo uitkomt. Met geld koop je geen leven, geen menselijkheid, geen waardigheid, geen liefde van hart tot hart, geen verwondering.

Twee meerkoetjes schieten achter elkaar aan, in de vijver aan de rand van de tuin. Het gaat er fel aan toe. Ze strijden om een gunstig plekje aan de waterkant tussen het riet, want ook zij gaan een nestje bouwen. Van alle eenden en ganzen die ik hier de afgelopen jaren heb zien broeden en kramen, waren de meerkoetjes altijd degene die al hun babykoetjes (?) in leven wisten te houden.

Ben ik te idealistisch om te hopen op een wereld waar menselijke waarden tot heilig goed worden verklaard? Om te hopen op een bijeenkomst met alle Europese leiders die uitroepen: “En nu is het genoeg geweest! Sinds de Industriële revolutie heeft de productie van goederen dag en nacht op volle toeren gedraaid, is de mens in een enorme expansieve ontwikkeling beland, leven we dag en nacht achter en door apparaten heen, is er ongelofelijk veel geld verdiend en zitten we nu op een punt dat we kunnen zeggen: genoeg industrie en rijkdom!” We richten onze aandacht op waar roofbouw is gepleegd en waar we almaar armer zijn geworden: de natuur, verdeling van bezit, een huis voor iedereen, vreedzaam samenleven, zorgdragen voor elkaar. Het ministerie van liefde en volkshuisvesting. Het ministerie van hartzaken en kostbaar erfgoed. Zoiets. Is dat zo moeilijk? Of ben ik niet van deze wereld?

De krokusjes zijn ineens allemaal uit. Ze staan in plukjes rond de vijgenboom. Dat moet gebeurd zijn terwijl ik op bed lag. Ik ben dol op krokusjes: zo klein maar vol van kleur. De paarse vooral, maar de gele ook, en ik zie ineens allemaal witte krokusjes. Ik vind ze allemaal leuk. 

‘It is morally difficult’, zegt de man van de kamer uit Kiev.
Navalny, politiek en sociaal activist krijgt nog eens negen jaar celstraf.. Hij is van Russisch-Oekraiense afkomst. Hij groeide op in Rusland, maar bracht als kind zijn zomervakanties door bij zijn grootmoeder in Oekraïne. Veroordeeld zonder eerlijk proces, geen rechtspraak. Het is zijn doodvonnis. Dat kan dus zomaar.
Verbijstering, steeds weer. Onmacht. 

Wat kan je doen?
Op de rand van mijn wc staat een tegeltje met een engeltje erop
en de tekst ‘tijd voor een wonder’. Tot hier kom ik.

Een lieve groet, Marthe van der Noordaa


Tegeltje: Anna Anuka

Gemaakt voor tegenslag

Wat als het corona virus voor altijd onder ons blijft, in steeds een ander jasje?
Wat als de klimaatcrisis niet omkeerbaar is, en overstromingen onderdeel worden van de seizoenen?
Wat als depressie verschijnselen blijven toenemen onder jongeren, niet als tijdelijk verschijnsel, maar als symptoom van de tijd waarin we leven?
Wat als nog meer mensen obesitas krijgen? Bovenop de 50% van de Nederlanders, die nu overgewicht hebben. 
Wat als de huizenprijzen blijven stijgen en starters niet meer aan woningen kunnen komen omdat de economie kunstmatig wordt gestimuleerd met lage rentes en aankoopprogramma’s door het ECB?
Wat als …

Ik hoor je denken ‘dit wordt geen gezellige Happy New Year blogtekst.’
En dat klopt, het lukt me simpelweg niet op dit moment. Klik gerust weg.
Of blijf er juist bij, want dat is waar ik het graag over wil hebben.
Erbij blijven.
Ik val met de deur in huis. We zitten in een crisis; corona, klimaat, geloofwaardigheid van de politiek, verruwing en agressie op straat en online…
En de frustratie over hoe met de crisis om wordt gegaan, neemt toe.
Zoals ik ernaar kijk, komt dat omdat er in oplossingen wordt gedacht.
‘Deze crisis moet worden bezworen, we moeten het virus er zo snel mogelijk ‘onder krijgen’.
En dan komen er allerlei maatregelen om dat te fixen. Het werkt, maar tijdelijk.
Achter snelle oplossingen duiken steeds weer nieuwe problemen op.
Kortetermijnvisie met kortetermijnmaatregelen.
Het bezweren van de crisis in plaats van het echt aankijken.
Door laten dringen wat er echt mis is, in plaats van pleisters plakken.
Dat vraagt moed. 

Antoine de Kom (dichter en forensisch psychiater) verwoordde het mooi in een interview dat ik las in dagblad Trouw, vlak voor de kerst. 

De coronacrisis heeft helaas nog niet tot voldoende bezinning geleid. ik zie vooral ad hoc maatregelen, waarmee we achter de ontwikkelingen aan blijven lopen. We zouden deze gedwongen ‘sabbatsrust’ moeten gebruiken om na te denken over een nieuwe weerbaarheidseconomie. Niet wachten tot alles weer ‘normaal’ is maar in actie komen en ons krijgshaftiger gaan opstellen. Het leven en de wereld zijn veranderlijk; je kunt er niet van uitgaan dat je alles voor elkaar hebt en dan rustig achteroverleunen. Er komt steeds een nieuwe tegenslag, daar ben je voor gemaakt, daar moet je op kunnen reageren. We moeten bereid zijn offers te brengen. (-) Ik kijk het gevaar liever in de ogen dan dat ik me ervoor afsluit.

Het gevaar in de ogen kijken. Erbij blijven. Krijgshaftig. Uiteindelijk geeft het meer voldoening, want we voelen allemaal wel dat de dreiging nog lang niet is afgelopen. Het bezweren van die dreiging en het tijdelijk oplossen, kost kracht en veel geld. Zo blijkt nu.

Wat mij aangrijpt is hoe het met onze jongeren gaat. Waarom zijn zoveel van onze jongeren depressief? Toch niet zo gek, als je kijkt naar het hopeloos verouderde onderwijssysteem in Nederland? Waar jongeren veel te vroeg (voor 10 uur staan hun hersens nog niet ‘aan’) en urenlang in klassen zitten, droge lesstof te verstouwen krijgen, die niet aansluit bij hun belevingswereld en waar de norm is: goede cijfers halen. Wie kijkt dat eens echt aan? Wie durft het hele systeem ter discussie te stellen?
En niet zo gek als je beseft dat dit de generatie is die opgroeit in het digitale tijdperk, met een mobiel als verlengstuk van hun hand, met verslavende games en online schijnwerelden. Het is toch niet verwonderlijk dat daardoor hun gevoelsleven verschraalt? Zijn pillen daarvoor de oplossing? Mogen ze voelen wat er werkelijk is? Bieden we ze genoeg begeleiding daarbij? Of gaan we daarop bezuinigen.

Geen snelle oplossing maar het aankijken en het zijn met wat er echt aan de hand is. Ten volle zien nodigt uit tot een echt antwoord; doordacht, voor de lange termijn, diepgaand en vanuit verschillende invalshoeken bekeken. Niet meer van hetzelfde.
Misschien een idee om naast het huidige OMT een OMT.2 op te richten die de politici adviseert? Met mensen uit de culturele sector, met jonge mensen, economen, verpleegsters, agenten, mensen met een andere visie op hetzelfde probleem.
Of aparte Corona dependances bouwen naast de ziekenhuizen en personeel werven dat daarvoor specifiek wordt opgeleid en dubbel betaald wordt door de overheid. 
Vaccineren en boosteren? Prima, maar zolang we niet verder kijken dan ons eigen belang, onze eigen landsgrens, voorbij Europa, heeft het beperkt nut: de varianten blijven komen vanuit verre landen als Afrika en India. Zolang wij niet onze kennis delen, zij geen patent krijgen van ons vaccin, blijven wij kwetsbaar. We zijn een geheel. Wij zijn niet rijk als zij arm zijn, wij blijven niet gezond, als zij ziek zijn. We horen bij elkaar.
Dichter bij huis: gooi het jaarritme om. We weten nu dat de winter de pandemie doet oplaaien, gooi alles dicht in de winter, maak er een lange winterslaapvakantie van en werk door in de zomertijd, zodat alles open kan blijven, ook de scholen en universiteiten. Ingrijpend? Ja, maar de pandemie is ook ingrijpend. En het heen en weer pendelen tussen halve en hele lockdowns is ook aardig ontregelend. Bovendien kunnen we hier vast snel aan wennen, de natuur doet ook aan winterslaap. Om maar een paar dingen te noemen.

In mijn boek ‘Een Zucht van verlichting’ schrijf ik hier over het omgaan met de weerbarstige werkelijkheid, wat ik wel toepasselijk vind voor deze tijd. 
Daar schrijf ik over mijn heftige allergie aanvallen die maar blijven terugkeren, jaar na jaar. En steeds hoop ik door medicijnen, kuren, ander voedsel, beddengoed etc, dat het beter zal gaan. En steeds gebeurt dat niet, het is allemaal tijdelijk, er verandert niet echt iets. Tot ik op een nacht tot inzicht kom, op een krukje in de badkamer.

“Ik lig al uren wakker en kan niet slapen omdat ik last heb van mijn allergie. Op een goed moment krijg ik het zo benauwd dat ik op een krukje in de badkamer ga zitten. Ik piep van benauwdheid en zet de hete kranen in de badkamer open. Dat verlicht enigszins, maar na een tijdje ook niet meer. Dan krijg ik een paniekaanval: wat moet ik doen? Niets helpt. Het wordt niet minder. Ik heb het gevoel dat ik in een uitzichtloze spiraal zit. Het is nu al jaren zo, houdt dit ooit nog op? Dan begin ik te huilen, diep te huilen. Ik vind het zo oneerlijk en ik ben zo moe. En dan komt er een dun besef, dat dit niet ophoudt. Dit is het. Er is geen uitzicht op andere tijden. ‘Laat die hoop los’, echoot het in mijn hoofd. Het is het enige wat ik nog kan doen, de hoop loslaten. Dus dat doe ik. Daardoor ontspan ik. En dan is er, als een ragfijn draadje uit een spinnenweb waar de zon op schijnt, het inzicht hoezeer de gerichtheid op het beter willen worden, me uitput. Ik word niet beter en dat besef maakt me gek genoeg rustig. Ik ontspan. De paniek en de verkramping verdwijnen. De benauwdheid is er nog steeds maar door de ontspanning komt er ruimte om de benauwdheid heen. Het neemt me niet meer compleet in beslag, waardoor ik het er beter kan laten zijn. Ik ga terug naar bed.”

‘Een keerpunt in deze verwikkeling is het moment waarop ik besef dat er geen uitzicht is op andere tijden. Dat lijkt een dieptepunt maar dat is het niet. Het is het lichtpuntje dat nieuw perspectief biedt in deze donker nacht. Het besef dringt door dat het gericht zijn op de toekomst doodloopt, sterker nog: ik lijd eraan steeds weer mijn hoop te koesteren op betere tijden. Meer nog dan aan de allergie zelf, lijd ik aan het gericht zijn op de toekomst. De hoop op betere tijden, kan een mens jarenlang koesteren en met zich mee dragen, niet beseffend dat juist het krampachtig hopen het lijden veroorzaakt. Ondertussen wordt niet ervaren wat er werkelijk aan de hand is. Dat is zonde want in het omarmen van die werkelijkheid zit een opening. Een opening om de impasse te doorbreken en tot een nieuwe houding te komen. Op het moment dat ik tot me door laat dringen dat de allergie mijn werkelijkheid is en niet ophoudt, kan ik ontspannen en raak ik helemaal aanwezig in de benauwdheid. En dan blijkt er meer te zijn dan alleen de benauwdheid. Er komt ruimte omheen. Ruimte waardoor ik ermee kan leven in plaats van dat ik ervan af wil.’

Er is geen uitzicht op andere tijden, dit is de tijd waarin we leven. Hier doen we het mee. Het hoort bij mij, bij jou, bij onze weerbarstige werkelijkheid.

Er komt steeds een nieuwe tegenslag, daar ben je voor gemaakt, daar moet je op kunnen reageren’, zegt de Kom. Dat vind ik troostrijk. En ik ben het met hem eens. Wij mensen zijn sterk, ongelofelijk inventief, en we passen ons razendsnel aan. Wij kunnen dat. 
Tijd voor een wezenlijk antwoord.

Ik proost op ons, de voelers, de zoekers, de aankijkers, de heldhaftigen,
en ik zie je graag in het nieuwe jaar.

Marthe van der Noordaa

Klein groot geluk

Het dorpsplein is niet groot maar toch lijkt het alsof alles er is; het wordt omringd door een bakker, een slager, een café, een postkantoor, een fietsverhuur, en aan de randen staan kramen met groente en fruit, met kazen, met oesters en een met wapperende zomerjurken. In het midden van het plein staat een draaimolen met ornamenten en beesten, zo’n ouderwetse versierde molen, vol met kindjes. Ik zit op het kleine terras van het café aan mijn ochtendkoffie, met een croissant zoals je ze alleen in Frankrijk kunt krijgen.

Er klinkt een bel, de draaimolen stopt. Nieuwe ronde, nieuwe kindjes. Ze klimmen op de draaimolen, vol enthousiasme rennen ze op een dier af en dan de lichte paniek: wil ik wel op het paard? Of kies ik de zwaan, nee de giraf! Of toch de helikopter, die op en neer gaat als je op het stuur drukt? De bel klinkt weer, nu toch echt gaan zitten, en daar gaan ze. Eromheen zitten moeders met boodschappentassen op plastic witte stoelen. De kinderen zwaaien, steeds opnieuw na een rondje als ze hun moeders weer zien.

Naast me zijn twee vrouwen in gesprek, ze praten onophoudelijk. Zo snel als dat kan gaan in het Frans, de woorden buitelen over elkaar heen. Ze drinken eerst een petit café, dan pastis. De geur van de perziken op de fruitkraam vlakbij is heerlijk, ze zijn overrijp. De rij voor de slager wordt steeds langer, er mogen maar twee mensen tegelijk naar binnen in de kleine winkel, de meesten willen ‘poulet roti’ die staan te draaien buiten voor het raam, ook die zijn te ruiken op afstand. En uit het bakkertje komt iedereen naar buiten met een of twee baguettes onder de arm. Ik geloof niet dat ze het hier kennen, een glutenvrij dieet.
Ik geniet van wat ik zie. Mensen staan stil, maken een praatje, kopen tomaten, artisjokken, oesters. Ik bestel nog een koffie. 

Dan ineens klinkt er een claxon. Er komt een man met een hoed het plein op gefietst. Hij knijpt in de claxon op zijn stuur, maar heeft ook een bel in zijn hand die hij luid laat rinkelen. We kunnen niet om hem heen: een grote zwarte punthoed, een glimmende blauwe jas met achterpanden en een luide stem: “Bonjour mesdames et messieurs!” Hij stapt af en in een handomdraai heeft hij een mini podium gemaakt: kratje uitgeklapt, fluwelen kleedje erover, hij stapt erop en begint een… tja, wat eigenlijk? 

Met een prachtige diepe stem schalt hij over het plein, er komt een jongetje aangerend, hij gaat recht tegenover hem op de grond zitten. De man haalt uit de binnenzak van zijn blauwe jas een paar briefjes en leest die voor. Het lijken een soort advertenties of krantenberichtjes? Soms ineens schatert het jongetje. De man heeft één persoon publiek (eigenlijk twee, incluis mij), maar zijn enthousiasme is er niet minder om, hij gaat stug door. Soms springt het jongetje op en klapt in z’n handen, er is iets opwindends gezegd! Langzaamaan staan er meer passanten even stil, ze luisteren. Eerst twee, dan drie, dan vijf, en dan wordt het een kring van mensen om de hoedenman heen. Er wordt intensief geluisterd, er wordt gelachen. Ik versta het niet goed, het gaat te snel, maar het maakt niet uit, het is prachtig: zijn dragende stem, de eenvoud, de concentratie van de mensen, het samenzijn. Een oervorm van theater.

En dan ineens is het klaar. De man steekt zijn briefjes in de binnenzak van zijn glimjas, tilt zijn hoed op, maakt een lichte buiging. Het jongetje klapt, de andere klappen mee en binnen een paar minuten is zijn kratje en kleedje opgeruimd, stapt hij op zijn fiets, klinkt de claxon drie keer en “Au revoir!”
De mensen lopen door, het jongetje zoekt zijn moeder en de pleingeluiden nemen het weer over. ‘Ting Ting’, de draaimolen draait de volgende ronde. 

Ik blijf nog even zitten. Getuige van klein groot geluk.

Marthe van der Noordaa

Het verfoeide 2020

“De beste wensen voor 2021, eindelijk kunnen we dit ellendige jaar achter ons laten.”
“Dat we 2020 maar snel mogen vergeten.” Dat soort nieuwjaarswensen hoorde ik om me heen. Vergeten? dacht ik dan, laten we juist vol stilstaan bij dit jaar. Laten we het onderzoeken, doorgronden, binnenstebuiten keren en van leren. Want wat een waardevolle informatie zit er in dit unieke verfoeide jaar! Dat is mijn nieuwjaarswens.

Om een paar dingen van 2020 te noemen die ik van waarde vind: dat we weer hebben ervaren hoe kwetsbaar we zijn, en niet onfeilbaar. Want dat was al die tijd al een illusie, en dan komt de dood rauwer dan rauw op ons dak. Zo is gebleken. Vele dierbaren zijn begraven.
Dat we zijn stilgezet en daardoor zijn gaan herwaarderen wat heel dichtbij ligt. 
Dat we weer weten wat de vitale beroepen zijn. Dat we de mensen weer zien die we niet kunnen missen. De beroepen die de maatschappij draaiende houden.
Dat alleen de winkels met basisbehoeften nog open mochten blijven. We staan weer eens stil bij wat onze basisbehoeften eigenlijk zijn. Het zoveelste paar schoenen? Onderbroeken, pastasaus, bloemen, boeken, keukenspullen, paracetamol, Hema rookworsten, chips. De muur van chips was ineens helemaal leeg bij onze supermarkt tijdens de lockdown, kennelijk een hele belangrijke basisbehoefte. Er zijn 7 merken chips verkrijgbaar en ieder merk heeft wel 5 smaken: keuze uit 35 soorten chips. Waarom eigenlijk? En wat mis je nou het meest als het erop aan komt? Dat soort vragen hebben zich aangediend. 

Ook kwam in de spotlight hoe we zijn doorgeslagen in onze omgang met dieren, of het nou in megastallen is in de Achterhoek, in veel te kleine kooitjes op fokkerijen in Brabant of op illegale markten in Wuhan. We vangen ze, fokken ze, vergassen en vermalen ze, hakken staarten, slagtanden en schubben af om te verwerken in tassen of medicijnen, dat soort rare dingen doen we met dieren. En dan is daar ineens het dodelijke virus dat via dier op mens wordt overgedragen. Niet de eerste keer. Ebola werd overgedragen via vleermuizen, SARS via civetkatten en de Pest, waaraan ooit een derde deel van alle Europeanen is gestorven, via ratten, via de vlooien op ratten. De ratten (met hun dodelijke gast in de pels) brachten het virus via het ruim van de handelsschepen wereldwijd onder de mensen. Nu gebeurt de verspreiding veel sneller, want we vliegen.
Zouden wij mensen door deze pandemie anders gaan kijken naar reizen? Naar het onbeperkte vliegen dat we zijn gaan doen? Voor €48 euro vliegen naar Istanbul, we weten allemaal dat het niet klopt en dat we daar op een andere manier hoge prijzen voor betalen.

Zo waardevol vond ik het om tijdens de eerste lockdown te zien te zien hoe snel de natuur herstelt als wij mensen binnen blijven! Als wij ruimte geven aan de natuurlijke gang en ons er niet mee bemoeien. Hoe snel dat herstel gaat is heel hoopgevend en heel hard nodig natuurlijk. Dat weet iedereen. De noodklok luidt. 2020 vertelt ons dat er geen enkele reden meer is om te ontkennen, weg te kijken, om te wachten. Klimaat en natuurbehoud hoog op de agenda in 2021.

‘Hopelijk kunnen we zo snel mogelijk weer terug naar normaal’, zag ik regelmatig voorbijkomen op social media. Wat is normaal? Zijn het de excessen waar we de afgelopen jaren aan gewend zijn geraakt? Het normaal is de waan geworden. In de waan moet het comfortabel en leuk blijven. En daarbij denken we dat we veel meer nodig hebben en worden we afhankelijk van omstandigheden en prikkels. Terwijl we met zoveel minder toe kunnen, is gebleken uit afgelopen periode. 
Dus laten we vooral niet teruggaan naar ‘normaal’, zou ik zeggen.
Mijn wens is om elkaar juist niet te betoveren met de waan, niet te doen alsof we dit achter ons kunnen laten en kunnen fixen. Dan blijft de ontreddering en de kwetsbaarheid. Want het volgende virus ligt alweer op de loer. 

Laten we ernaar kijken, naar 2020
als een mijlpaal, een leerschool, een keerpunt.

Laten we onderzoeken en onderscheiden.
De waan van de werkelijkheid scheiden. 
Niet doorschakelen en controle herpakken,
maar verliezen. Kiezen en verliezen. 
Het overbodige loslaten: 
de zaken die ons niet dienen,
die ons betoveren, zoet houden,
verslaven en versplinteren,
maar niet bijdragen.

Dan kan er werkelijk iets veranderen.
Verandering kan niet zonder verlies.
En natuurlijk vraagt dat offers en doet dat ook pijn.
Maar liever de pijn
dan de illusie.
Liever de weerbarstigheid
dan de waan.

Ik toost op de weerbarstigheid en de zoektocht 
naar een oprecht antwoord op 2020.

Marthe van der Noordaa


Denk eraan dat alle wonderlijks dat je bestudeert
het collectieve werk van vele generaties is
waaraan allen hun geestdrift en inzet hebben gewijd.
Dat erfdeel berust nu in je handen die het in eerbied ontvangen,
verder ontwikkelen en straks aan je nageslacht toevertrouwen.
Daarin zijn we onsterfelijk:
samen scheppen we een oeuvre dat ons overleeft.

Albert Einstein (1879-1955)

Relaxte slordige mannen

Soms ben ik wel eens jaloers op mannen. Als ik het kameraadschappelijk samenzijn zie onder mannen, waarbij iedereen vanzelfsprekend onderdeel is van de groep. Of als ik hoor over het gemak waarmee ze elkaar na een ruzie met twee zinnen en een schouderklop kunnen vergeven, waar vrouwen soms wel twee maanden en tien gesprekken voor nodig hebben. Bij vrouwen kan het nog wel eens ingewikkeld worden, met onderling gedoe, rivaliteit, geroddel, een kritische blik. Ik zei een keer tegen een vrouw die voor me stond in een rij – ze had een opvallende gekleurde jas aan en een hoedje op – ‘wat zie je er leuk uit’. Het was alsof de hemel openging, ze klaarde helemaal op. We raakten aan de praat en zij zei dat ze eigenlijk nooit complimenten kreeg van vrouwen. Gek eigenlijk. 

Het zou te maken kunnen hebben met de kritische houding van vrouwen, vooral ten opzichte van zichzelf. Er wordt veel over geschreven: dat vrouwen een grote interne twijfel kunnen hebben over wat ze kunnen, en als ze iets goed gedaan hebben, het al snel bagatelliseren en eerder toeschrijven aan externe factoren dan aan zichzelf. Op dit gebied een wankel zelfvertrouwen. Uit onderzoek blijkt dat mannen zichzelf in 30% van de gevallen juist overschatten, ze bluffen sneller en durven meer. En het blijkt te werken: hoe meer je gelooft dat je bepaalde functies aankunt, hoe meer anderen het je toevertrouwen. Bij een vacature zijn vrouwen van mening dat ze aan alle eisen moeten voldoen, mannen denken dat 60% voldoende is. We kunnen hierin nog van elkaar leren.
Vanuit die interne twijfel schijnen vrouwen zich veel te vergelijken met hun omgeving. Ze weten vaak feilloos waarin de ander mooier of geslaagder is. Concurrentie ligt op de loer. Terwijl we elkaars steun juist zo nodig hebben. En complimenten zijn ook heel welkom.  

Ik moet ook wel denken aan het verschil tussen mannen en vrouwen als ze met elkaar op stap zijn geweest, naar de kroeg, uit eten. Hoe het kan gaan met afrekenen. Bij vrouwen wordt vaak heel precies uitgerekend wie wat heeft gehad -eerlijk maar ingewikkeld- bij mannen tikken ze de rekening hoofdelijk om en klaar, een stuk relaxter.
Dat relaxte is ook wel iets wat me fascineert, vooral in het dagelijks leven en de huishouding. Zoals mijn man volkomen zorgeloos uit zijn vieze broek stapt en die ter plekke op de grond laat liggen, en er de dagen erna zonder problemen omheen blijft lopen, alsof de kous daarmee af is. Sterker nog, gerust op een ander plekje nog een shirt of pyjamabroek laat liggen en in de hal zijn riekende sportkleren in een hoekje op de grond. En daar heel ontspannen in blijft, dat vooral! Hoe doet ie dat toch? denk ik dan. Hij zit er echt niet mee dat er overal door het huis hoopjes op de grond liggen. Ik kan daar na twee hoopjes al niet meer tegen. Vervolgens is hij overigens ook niet verbaasd als die kleren op een goed moment gewassen en wel weer in zijn klerenkast liggen. Alsof die kleren dat zelf gedaan hebben en een eigen leven leiden.
Een boterham smeren en dan het vieze mes met de boter eraan op het aanrecht laten liggen, ook zoiets, het boterkuipje nog open, de kaas uit het papiertje, net naast de ijskast en dan eerst gaan lunchen. Vervolgens gebeurt er van alles en blijft dit de rest van de dag op het aanrecht liggen. Hij loopt er heus een paar keer langs, ziet het volgens mij wel, maar ziet het niet als een probleem! Natuurlijk erger ik me er ook aan, maar als ik heel eerlijk ben, is het dit soort onthechte losheid bij alledaagse dingen waar ik jaloers op kan zijn.

Ik kan me uiteraard voorstellen dat er ook andere mannen zijn wat dit betreft. Maar daar val ik niet op kennelijk, want ik heb altijd ‘slordige mannen’ gehad. Ook slordige zoons trouwens, maar dat is vast de schuld van het DNA. Ooit kochten we een keer een cadeau voor een man die vijftig werd, een grote vuurkorf voor buiten, en die man vroeg na het feestje of hij ‘m misschien kon ruilen? ‘O jee, is er iets mis mee’, vroeg ik? ‘Nee hoor, hij is prachtig maar ik heb liever iets anders, het geeft zo’n rommel in de tuin, zo’n vuurkorf.’ Kijk, zo’n man laat denk ik niet zijn vieze broek op de grond liggen, of een beboterd mes op het aanrecht. Je hebt ook mannen die heel netjes zijn op hun kleding, en er tiptop en hip uitzien, ik heb er nooit mee in bed gelegen. Mijn vriendjes hadden meestal van die afgekloven V-truien en broeken waarvan je je kunt afvragen: ‘is dat ooit mode geweest?’ Mannen die nooit in etalages van winkels kijken, laat staan enig besef van mode hebben. 

Wat ik al zei: we kunnen veel van elkaar leren. Ik in dit geval rondom loslaten en ontspannen. Mijn liefde voor slordige mannen zegt veel over mezelf; als antwoord op de blinde paniek die soms toeslaat als ik me verbind met de weerbarstige werkelijkheid, klamp ik me vast aan de paar vierkanten meters in mijn eigen leventje: opruimen, schoonmaken, de was doen, ijskast vullen. Rust, reinheid en regelmaat. Ooit in het leven geroepen voor jonge kindjes, maar net zozeer voor deze moeder. En als ik daarin doorsla, laaf ik me aan de slordigheid van mijn man, die me helpt herinneren aan mijn verlangen naar onthechte losheid. Gewoon maar wat doen. De boel de boel. Soms oefen ik, dan doe ik een week de was niet (gaat niet vanzelf). ‘Geen schone onderbroeken meer in de kast? Goh, misschien liggen ze ergens op de grond.’ Heel bevrijdend.


Marthe van der Noordaa

Kunst koesteren

In deze tijd van het jaar vindt altijd de Kunst10daagse plaats in Bergen. Tien dagen lang kunst van ruim tweehonderd kunstenaars op honderzestig locaties; in ateliers, in tuinen, in het bos, bij mensen thuis, in cafés, rond de kerk. Een groots event in het kleine dorp Bergen, waar tijdens die 10 dagen soms wel 30.000 mensen op af komen. Maar helaas: het gaat niet door! Vanwege aangescherpte corona maatregelen, is net besloten. Wat een strop, voor de kunstenaars uiteraard, maar ook voor de bezoekers, voor ons mensen. 
Want wat is een leven zonder kunst? 

Die vraag dringt zich steeds vaker aan me op nu zoveel theaters sluiten, muziekfestivals worden geannuleerd, orkesten worden opgebroken, exposities amper worden bezocht. Zoveel kunstenaars niet gezien, niet gehoord. Je zou kunnen denken: kunst is een extraatje, een soort luxe, geen belangrijke levensbehoefte. Dus ja, jammer als het niet doorgaat maar geen ramp. Het is ook geen ramp, maar wel een groot gemis. Kunst brengt iets wat voorbij het logische denken gaat, voorbij kosten en baten, voorbij ‘nuttig’. En daarmee is het juist zo waardevol.
Het tilt ons naar een ander niveau, voorbij de alledaagse sores en platheid, naar het niveau waar we geraakt worden zonder te begrijpen, waar we getroost worden door onbekenden, waar tragiek toegankelijk en behapbaar wordt, waar we kunnen worden herinnerd aan wat wezenlijk is, of waardoor we simpelweg opgetogen en verfrist huiswaarts kunnen keren.
Kunst als balsem voor de ziel. 

En dat lijkt me juist in deze tijd geen overbodige luxe, maar noodzaak. De vervreemding waar we meer en meer in terecht komen, door alle maatregelen, maar ook door de enorme vlucht die de digitale ontwikkeling heeft genomen in de afgelopen decennia. Steeds meer mensen raken in een isolement, zijn eenzaam, somber, ontheemd. De expansiedrift heeft ons veel welvaart gebracht, zeker, maar op een ander vlak zijn we veel armer geworden. Op het eenvoudige menselijke vlak, van direct contact, zorgdragen voor elkaar en afstand overbruggen. Op het vlak van iets doen, niet omdat je er beter van wordt, maar omdat je hart ernaar uitgaat. Kunst ontstaat vaak vanuit deze passie. In die zin is kunst, net als de liefde, om niet. 

Ik moet in dit kader denken aan een citaat van Charles Eisenstein een Amerikaanse schrijver en activist, die pleit voor een nieuwe kijk op de wereld van ‘separation’ naar ‘interbeing’.
Laat het duidelijk zijn dat dit de revolutie is: liefde voor alles dat leeft om wat het is en niet vanwege de waarde ervan. Als we ons daarvoor openstellen, zal niet alleen onze verhouding tot de natuur veranderen. Het zal ook leiden tot een transformatie van ons economisch systeem, dat juist gebaseerd is op het uit winstoogmerk uitbuiten van mensen.

‘Liefde voor alles dat leeft om wat het is en niet vanwege de waarde ervan.’ Zo mooi. En revolutionair omdat we daar zo ver vanaf zijn geraakt. Gewend als we zijn om keuzes te maken vanuit: wat levert het op? Het is een rigoureuze beslissing om ons daarop te richten, te midden van de pandemie: om de liefde lijdend te laten zijn. Menselijk dichtbij. 

‘Blijf dansen, lachen, luisteren, voelen’, staat boven de agenda van het Internationaal theater Amsterdam. Laten we de theaters bezoeken, de muzikanten uitnodigen, musea binnenwandelen, filmhuizen steunen. Laten we de kunst koesteren als een noodzakelijk kostbaar goed.

Marthe van der Noordaa

Liefde voor het lot

58086710-red-luchtballon-zweven-over-misty-mountain-in-vang-vieng-laos

Afgelopen zaterdag stond ik met mijn vader beneden in de hal van het gebouw waar hij een appartement heeft.  ‘Waarom kom je niet even boven?’, vroeg hij. Ik legde het weer uit, over dat nare virus dat rondwaart, zo besmettelijk, en waarom dat hij dat echt niet moet krijgen.

Mijn vader is 89 jaar en we zijn heel voorzichtig met hem. We hebben zelf het virus niet, maar zijn wel in contact geweest met mensen die Corona hebben (of hebben gehad) en dat levert dat ‘grijze gebied’ op, waar we weinig over weten wat daar besmettelijk aan is. Niet meer bezoeken of ophalen voor een uitje, geen knuffels, wel iedere dag bellen, pakketjes met favoriete dingen sturen, en de boodschappen tot aan de voordeur. Nodig, maar jeetje wat is dat kaal en eenzaam.

We bleven even staan praten, daar in de hal, met anderhalve meter en een boodschappentas tussen ons in. ‘Hoe gaat het papa, lastig he?’ ‘Nou het gaat wel hoor, niet alles kan meer nee.’ Hij keek me rustig aan. En zei toen: ‘Het doet me een beetje denken aan de oorlogstijd, toen kon ook niet alles. Je kon niet reizen, en als je al op pad ging, had je hooguit een fiets. Dan was je blij. Je zette houten banden op je fiets, anders pakte de Duitsers ‘m af.’ Ik ken het verhaal maar vind het altijd weer bijzonder als hij erover spreekt. ‘En als er dan gebombardeerd werd, want dat gebeurde veel bij ons in Wassenaar, wist je dat je direct in de berm moest gaan liggen. Binnen blijven was natuurlijk beter. Maman (mijn oma) kreeg nog een keer een scherf in haar gezicht.’ Lees verder

Winterkerstpuzzel

IMG_4033

‘Mag ik een puzzel voor kerst?’ Deze onverwachtse vraag kwam er binnen op mijn mobiel, van onze 22-jarige dochter. Mijn hart sprong op: natuurlijk! En ineens doemde het puzzeltafeltje op van mijn oma, waar ze met regelmaat langsliep om even een ‘stukje te leggen.’ Ik kreeg grote drang om ook zo’n puzzeltafeltje te maken voor de kerstperiode, liefst met een authentieke Jumbopuzzel met Zwitsers winterlandschap. Waar vind je die? Bij de kringloopwinkel. Dus daar gingen we heen.

Ik keek mijn ogen uit; wat een grote kringloophal in Alkmaar! Zoveel spullen. Er was bijna niemand. Mijn man ging richting het meubelgedeelte, ik naar de speelgoedhoek. Onderweg zag ik rijen vazen, pannen, apparaten, enorm veel boeken, een kastje met kristal, een hele hoek met kleding, glitter galajurken ook, laarzen, schoenen, tassen, en zomaar door. Alles nog prima in orde.
En terwijl ik daar zo ronddwaalde, bekroop me een treurig gevoel. Wat hebben we veel, en wat is er veel over! In de verte klonk ‘Driving home for Christmas’. Lees verder

Laten we troosten

toevlucht-kl

Onlangs is oma kleur overleden. Zo noemden de kinderen haar omdat ze een atelier in huis had waar ze altijd mochten verven of tekenen, als ze daar zin in hadden.
Ze was de tweede vrouw van opa. Een aparte vrouw, waar we veel bij voelde maar die we op een bepaalde manier ook niet echt leerde kennen. Een kunstenares en een boerendochter. Een mengeling van ongrijpbaar in haar eigen wereld vertoeven, en dan weer heel aards van aanpakken en doorzetten. Lief en onbaatzuchtig ook.
En ineens was daar die dodelijke diagnose: alvleesklierkanker. Na een paar weken is ze gestorven, 77 jaar. Zo snel, geen enkele vooraankondiging, geen vermoeden. Ook dus bij iemand zo sterk, nooit ziek, vol van leven, van creatieve plannen. Wat een schok.

Een week eerder vertelde mijn man over het verdriet van een hockeyteamgenoot van hem: zijn vrouw, 32 jaar oud, heeft gehoord dat ze niet lang meer te leven heeft. Lymfeklierkanker. Twee jonge kinderen. Het is niet te bevatten, niet te verwerken.
Dat is misschien wel het meest schokkende: dat het ontdaan is van iedere logica, van ieder rechtvaardheidsgevoel. De dood dendert het leven in op willekeurige plekken en momenten. En daar staan we, kwetsbaar en onthutst.

De kinderen hebben afscheid van haar kunnen nemen toen ze nog redelijk goed was, en het mooie was dat ze als vanzelf met haar naar haar atelier gingen. Later hoorden we dat ze daar alledrie nog iets tegen haar gezegd hebben. De jongste voorop: ‘Waar denkt u dat u heengaat als u doodgaat? Zal opa daar ook zijn?” Er hing een bijzondere sfeer om hen heen toen ze terugkwamen.

Terug in de auto merkten we dat we nog niet door konden. De oudste kinderen wilden niet meteen op de trein, terug naar hun studentenleven, en wij nog even niet naar de dagelijkse gang in ons dorp. We besloten dat we naar mijn ouderlijk huis gingen rijden, het was vlakbij en ik had ze die plek nog nooit laten zien.
En zo wandelden we samen door het buurtje van mijn jeugd, ik vertelde, zij vroegen van alles, we waren blij verrast (ik ook, met terugwerkende kracht): wat een apart uniek huis en wat een leuke plek!
De drie kinderen liepen vooruit. Ik voelde dankbaarheid voor het feit dat ze er waren. En tegelijk een grote kwetsbaarheid. Ik pakte de hand van mijn man, en dacht: laten we genieten van elke minuut. En laten we troosten.

“Kleur is de kern van mijn kunst. Dagelijkse gebeurtenissen, verhalen, muziek, ik beleef ze in kleur. Kleuren roepen beelden op en maken gevoelens los. Mijn werk komt tot stand door nuances aan te brengen, door vlakken te verbinden of ze van elkaar te scheiden. Door eindeloos te schaven en te schrappen. Het schilderij is af is als het iets met me doet. Als het me uitdaagt te communiceren en in actie laat komen.”
Greetje Hubers

 

Marthe van der Noordaa