De moed om lief te hebben

IMG_0214

Foto: Roberto Colacioppo

En dan ineens is het zomer… zo voelt het dit jaar. Het heeft een aparte aanloop gehad. In de meivakantie vroor het nog ’s nachts, we hebben toen gekampeerd en moesten met mutsen op slapen, zo koud was. Vlak daarna in juni konden de korte broeken en rokjes aan en scheen de zon zo fel dat in enkele dagen alles groen was en de rozen openschoten. Daarna weer een tijd met koude wind en regen en toch maar die extra deken op het bed. Abrupte overgangen.
Ik hou van geleidelijk dus voor mij is het wennen. Ooit gingen we in de winter een keer naar een Canarisch eiland, dat was een schok voor me, de eerste 2 dagen zat ik nog in m’n lange broek en vest bij het zwembad.

Het mooie van de zomer vind ik dat er een soort ontspanning en losse blijheid over de mensen komt, gewoon omdat het lekker weer is. En met de belofte van de zomervakantie in zicht, gaat het moeten langzaam over in mogen. Loslaten, de boel de boel, achter de computer vandaan, spelen, buiten eten, blijven zitten tot de zon onder is, de tijd vergeten.. Ik fietste begin juni door een park in Amsterdam en overal zag ik mensen met elkaar op kleedjes zittend in het gras, jonglerende jongeren, stellen langs de waterkant, families rondom rokende barbecues. Er wordt gepraat, gespeeld, geflirt, gedommeld..en opvallend weinig laptops en mobiels, die ons isoleren en doen verdwijnen in een digitale wereld. De zomer nodigt uit tot samenzijn en ontmoeting.

Het sluit aan bij een tekst die ik net gelezen heb in een fotoboek dat ‘Family’ heet, een verzamelwerk van fotografen die over de hele wereld foto’s hebben gemaakt rond het thema familie. De foto’s zijn heel pakkend, maar de introductietekst vind ik minstens zo mooi. Ik zou de hele tekst wel willen delen, zo relevant vind ik ‘m, maar dat is voor dit blog te lang. Bij deze een aantal passages (vertaald uit het Engels).

“Wij verlangen allemaal naar nabijheid, maar lijken het niet te vinden in onze instant-informatie-internet-dot-com tijd. We hebben niets verkeerd gedaan. Het is alleen dat de technologie ons heeft beroofd van onze wonderen.

De foto’s in dit boek tonen wat blijvend is en wat altijd zal blijven bestaan: de liefde van een moeder, de trots van een grootvader, de lach van een kind, het verdriet van een vader. Familieliefde is sterker dan staal en beton. Familieliefde is als de wind: instinctief, rauw, broos, mooi, soms woedend, maar altijd onstuitbaar. Het is onze collectieve adem. Het is ’s werelds grootste kracht.

Stammenstrijd is geen slecht woord. Het betekent niet: oorlog. Het betekent niet: afgescheidenheid. Het betekent niet het mijne is beter dan het jouwe. Het betekent dat we naar onze collectieve onzichtbare droom luisteren. Sluit je ogen en leg je hand op je hart en voorbij het geluid van de alledaagse drukte en machinerie, zul je het geluid horen van kloppende harten van over de hele wereld. Het is hetzelfde hart. Het is een collectief hart. Wij. Ons. Niet zij of de ander. Het is het hart van een familie. Het is ons gezamenlijke lied.

Ik geloof dat elke persoon die is gestorven – in slavernij, in een oorlog, in de Holocaust, bij terroristische aanslagen, door menselijke vernietiging, droogte of hongersnood – is gestorven zodat de rest van ons kan leven. Ik geloof dat elke jammerklacht bij een graf die een moeder heeft uitgeschreeuwd naar de hemel, een smeekbede is richting de goden om genade te hebben met de rest van ons, zodat ieder van ons in onze eigen families beter en met meer genade kunnen leven.

Op enig moment zullen we allemaal dit leven verlaten en voedsel voor de wormen worden. Dat is ons uiteindelijke lot. De werkelijke vraag of we succesvol zijn geweest of niet in dit leven, gaat niet over wat we de wereld op professioneel gebied hebben gegeven, maar over de hoeveelheid liefde die we in ons kielzog hebben meegedragen.
Niet iedereen heeft de kans, het geluk of de kunde om een ​​geweldige filmmaker, architect, zakenman, kunstenaar of professor te worden. Maar iedereen met de moed om lief te hebben, kan het voorrecht verdienen om op een bank te zitten en iemand te hebben – een kind, een kleindochter, een geadopteerde zoon, een nichtje – waar je de hand van pakt en tegen zegt: ‘Je bent het mooiste dat me ooit is overkomen.’ Dat is de ultieme test van grootheid, de ultieme opstandige daad. Dat soort liefde, familieliefde, maakt ons onmetelijk krachtig.
Omdat je door zo van iemand te houden, van mij houdt en van mijn familie – en ik van jou. Moge je liefde, zoals deze foto’s, voor altijd bestaan.”

James McBride (South Nyack, N.Y.)

Zolang wij nog geen voedsel zijn voor de wormen, en er nog genade is in deze bizarre wereld zodat wij kunnen leven, laten we dan ook voluit leven en liefhebben. Door alle ruis, angst, pijn, verwarring en onzekerheid, oprechte aandacht geven aan onze naasten. Dat kan familie zijn, maar ook een vriend of buurvrouw. Het is de ander echt zien en willen ontmoeten. Op een bankje langs de waterkant of op je eigen stoep. Dansend op het ritme van ons collectieve hart.

Ik wens je een hele fijne zomer.

ps als je nog op zoek bent naar een fijn boek: in mijn digitale bibliotheek staan allerlei titels getipt door verschillende lezers.

 

 

Advertenties

Onze oorlogsheld

De maand mei vind ik altijd een intense maand. Dat komt denk ik door de combinatie van vrolijke uitbundigheid en stille herdenking. Het begint met de feestelijke euforie van Koninginnedag (Koningsdag is nog even wennen), gevolgd door de bezinning van Dodenherdenking en direct daarna Bevrijdingsdag. Ik vind dat nogal snel schakelen, dat lukt me niet in een paar dagen.
Dodenherdenking raakt me altijd veel meer dan ik denk. De verhalen, de beelden, de stille minuut, het dringt diep tot me door en blijft nog dagenlang bij me. We stonden dit keer op 4 mei om 20.00 uur stil in de berm langs de A1. De auto’s raasden aan ons voorbij en onbestemde tranen liepen over m’n wangen. Ook al was het niet mijn oorlog, het verlies en het lijden is dat wel, het trilt generaties lang door. En het is nog steeds gaande; dagelijks beelden van verre oorlogen, die mij net zo goed raken.
En dan direct daarna de bevrijding en alle festivals! Dat gaat me te snel. Wat vier ik dan? De vrolijke blijdschap van Amerikanen en Canadezen door de straten met vlaggen en chocola en sigaretten? die voel ik niet. Wel iets van hoe bijzonder vrij we zijn in Nederland, wat een geluk we hebben met z’n allen. Zo gewoon en zo te koesteren.

Ook denk ik in deze tijd van het jaar vaak aan mijn grootmoeder, die haar man in de oorlog heeft verloren. Niet aan de dood maar aan een andere vrouw. Hij had in de oorlog in het verzet gezeten, waar hij riskante koeriersklussen heeft gedaan. Bovendien huisvestte hij met zijn gezin in Wassenaar verschillende joodse mensen, wat niet zonder risico was want het grote huis van de buren vlak daarnaast, was bezet door ongeveer 300 Duitsers. Op een van de levensbedreigende koerierstochtjes, was mijn opa met een vrouw geweest en de spanning (en de liefde) had hen in elkaars armen gedreven. Hij verliet mijn grootmoeder, die alleen met drie zoons achterbleef. Weinig eten, geen geld en toch heeft ze het gered.

Ze was geen makkelijke vrouw, dat moet gezegd, ze weigerde nog een cent aan te nemen van mijn opa. En als oma was ze vrij streng voor ons, zelf kind van Franse strenge ouders, hield ze er duidelijke regels op na: ‘Niet rennen!’ ‘Meisjes fluiten niet’. ‘Aan tafel spreken alleen de volwassenen’. En als mijn zus en ik de slappe lach hadden, stuurde ze ons naar buiten om af te koelen. Ze hield niet van emoties als de slappe lach. Net zo min als ze hield van aanraking. Als ik haar wilde omhelzen, zei ze zeer stellig: ‘Ne me touche pas’.
En toch hield ik van haar. Een diepe ondoorgrondelijke band. Misschien was het wel omdat ik naar haar vernoemd was? Of omdat ik regelmatig met haar ‘studeerde’. Ze hield van leren en lezen en ik was slim, dus sprak het voor zich dat ze mij onder haar hoede nam. Als ik een werkstuk moest maken, bedacht zij waarover en terwijl mijn klasgenootjes over hun cavia schreven, zat ik met mijn grootmoeder de schilderijen van Rembrandt te analyseren. ‘Zie je hoe hij werkt met licht en met schaduw?’ ‘Kijk goed naar de handen, hij was een meester in het schilderen van handen’. Zo leerde ze me kijken en ging ik zowaar houden van wat ik zag.

Regelmatig logeerde ik bij haar. Ik herinner me nog een keer dat ik ’s nachts gewekt werd omdat de telefoon ging. Ik lag wakker en toen hoorde ik iets ongebruikelijks. Hoorde ik haar huilen? Ik kon me dat niet voorstellen. Zachtjes liep ik naar haar bed en daar zat ze, ineengedoken en verdrietig. Ik ging naast haar zitten. Ze keek me aan: ‘Opa Pim is dood’. Er was altijd afstand en kilte als ze over hem sprak, maar nu zag ik hoezeer ze nog steeds van hem hield. De oorlog, de scheiding en al die jaren, hadden niks afgedaan aan de liefde voor haar enige man.

De tranen liepen over haar gezicht. En ook over de mijne want ik was dol op opa Pim. Ik wilde een arm om haar heen slaan, maar durfde niet. ‘Ne me touche pas!’ gonsde door m’n hoofd. En zo zaten we dicht naast elkaar, middenin de nacht te rouwen om onze held.

fotosMarthe

Glazen kerstballen

Afgelopen weekend kwamen de dozen met kerstboomversiering weer van zolder. Dat zijn er wel drie, omdat ik tussen alle hippe ballen van nu, ook nog iets van de versiering van vroeger thuis en van mijn oma heb. Ik hou van de ouderwetse vogeltjes en kaarslampjes van mijn oma. Maar ook van de glazen versieringen van mijn moeder; zij wilde geen kleur en geen lichtjes in de boom, we hadden echte kaarsjes en een emmer water naast de boom. De glazen kerstballen en doorschijnende engeltjes in onze boom vond ik als kind niks aan, want je zag ze nauwelijks en de kerstboom bij mijn vriendin was zoveel mooier met al die kleuren en lichtjes die konden knipperen!

Bij diezelfde vriendin ging ik ook televisie kijken. Wij hadden lange tijd geen televisie en toen we er eindelijk een kregen (ik was 13 ofzo?) was het een heel teleurstellend klein ding, waarvan je de uitschuifbare antenne steeds moest ‘richten’ omdat er anders ruis was. Dus ik logeerde graag bij Marina, waar ik voor het eerst Q&Q zag en Avro’s weekendquiz. Dat de hele familie gezamenlijk een avond televisie keek, met nootjes en drankjes erbij, was volkomen nieuw voor me en heel aantrekkelijk. Zoveel leuker dan bij ons. Bij ons was het saai. Er werd gelezen en soms stond er klassieke muziek op. Ik verveelde me, speelde uren lang buiten (tot het echt donker was) en regelmatig ging ik dan maar naar mijn geheime rekstok.

Achter ons huis was een soort bosje waar een knoestige laaghangende verticale tak was, waar ik perfect mijn kunstjes op kon doen. Het leukste vond ik het om zo lang mogelijk ondersteboven te hangen. Op zijn kop zag alles er anders uit. En het was op een van die ondersteboven momenten dat ik de kabouters ontdekte. Dat ik daar nu pas achter kwam, dat al die tijd in het gat in de grote holle boom vlakbij mijn rekstok kabouters leefden! Ze werden mijn beste (en uiteraard geheime) vriendjes, waar ik met regelmaat mee sprak. En waar ik later ook over ging schrijven. Want toen ik ouder werd en klaar was met de rekstok, trok ik me veel terug op mijn kamer om in mijn dagboek te schrijven.

Het aparte van dit alles vind ik dat ik de verveling en de oningevulde ruimte later zo ben gaan waarderen. Ik ben er zelfs zoveel van gaan houden dat ik erover ben gaan studeren en er een boek over heb geschreven. En ineens kreeg het allemaal zin: dat stomme kleine televiesietje, de saaie lege uren in de avond, het nutteloze hangen aan de rekstok, zelfs de doorschijnende glazen kerstballen. Allemaal ruimte die ik zelf kon invullen.

De dingen die er voor mij nu echt toe doen, komen vaak voort uit de mijmering en de leegte. Als mijn aandacht steeds wordt ingevuld door beelden, programma’s en knipperende lichtjes komt er bij mij niks op gang. Of niks wat ik de moeite waard vind. Geef mij maar de wereld op z’n kop. Ik verheug me enorm op de stille wintertijd.

Hele fijne kerstdagen.

Liefdevolle vriendelijkheid

Ik zit op Bali en ben op de plek waar ik vorig jaar zo abrupt mijn reis moest onderbreken omdat mijn moeder overleed. Ik stond toen op het punt om naar het noorden van Bali te gaan, dus daar ben ik vrij snel na aankomst heen gegaan.
Prachtige kustlijn waar je iedere avond de zon als op een ansichtkaart onder ziet gaan, en waar je kunt snorkelen en ’s ochtends vroeg dolfijnen kunt zien. En tegelijkertijd een hele arme streek, in het achterland is het zo droog dat de mensen slechts van de visvangst en het zout kunnen leven. Ze zijn blij als ze in het toerisme kunnen werken, waar ze 1 miljoen roepiah per maand verdienen (ongeveer € 65). Ik ben met een taxi van het noorden naar het oosten gegaan, en er was een man die me zo graag wilde brengen dat hij er speciaal een auto voor heeft gehuurd. Hij is leraar op een lagere school. Ik betaalde hem € 30, veel te veel, een half maandsalaris, maar ik kan het niet laten. Hij heeft een zoon die naar de universiteit gaat in Denpasar, dat kost heel veel geld. De meeste mensen hier kunnen alleen de lagere school betalen voor hun kinderen. Ik moest denken aan onze eigen zoon, die in Amsterdam studeert en deels een studiebeurs krijgt, wat een voorrecht.

Er is veel te zeggen over dit prachtige eiland, maar dit is geen reisblog en meestal is het veel leuker om zelf mee te maken dan enthousiaste verhalen van een ander te lezen.
Maar er is wel iets waar ik vol van ben en wat me blijft raken en dat is de waarachtige vriendelijkheid van de mensen die hier wonen. Niks nieuws maar daarom niet minder waardevol. Ik kan niet anders zeggen dat de hele gemeenschap ervan doordrenkt is, ook in hoe ze met elkaar zijn. Wel of geen cent, ze zijn vriendelijk en vrolijk. De meisjes die in de Losmen werken waar ik nu slaap in Amed, werken van 7 uur ’s ochtends tot 10 uur ’s avonds: poetsen, eten koken, lakens wassen, het stukje strand voor de deur steeds weer bezemen..ze blijven volkomen opgewekt en lachen wat af met elkaar (in de keuken).

Vlak voordat ik vertrok gaf ik een Longchenpa studiebijeenkomst bij mij thuis, over mededogen en liefdevolle vriendelijkheid. We bespraken de verschillende boeddhistische begrippen rond dit thema. Zoals Maitri, de ongeconditioneerde vriendelijkheid, de vriendschap die je kunt voelen voor alles en iedereen. En Mudita, de meevoelende vreugde, dat je blijdschap ervaart voor alle levende wezens. En Upeksha, wat gelijkmoedigheid betekent, dat je voorbij de partijdigheid van iedereen houdt.
Vrede van geest ontspringt vanuit een oprechte realisatie dat alle mensen broeders en zusters zijn. Het is het besef dat alles met elkaar is verbonden. Dat is wat je hier steeds voelt, alles is met elkaar verbonden en daarom worden ze gedragen. Dat maakt het licht.
En ze delen alles met elkaar; hun huis, hun eten, het beetje geld. Als je deelt ben je niet alleen.

Ik reis alleen, maar voel me hier niet alleen. In de zin van afgescheiden van mijn omgeving. Als ik me niet afwend, word ik opgenomen door de mensen hier, ik heb steeds aanspraak en er is zorg (ik was in een gat in de weg gestapt en had mijn voet lelijk opengehaald, ze kwamen me direct helpen en verzorgen).
Dat neemt niet weg dat ik mijn eigen lieve gezin soms vreselijk mis, het doet me bij vlagen fysiek pijn en ik mailde mijn man ‘Sinds ik met jou ben, is zonder jou zijn niet meer echt leuk’. Zo simpel is het. En als het me dan te kwaad wordt, laaf ik me aan de liefdevolle vriendelijkheid van de mensen en dit eiland, dat helpt enorm.

Een hele warme groet van ver!

Het hele jaar Serious Request

Jaarlijks gaat in de week voor kerst de Serious Request actie van 3FM weer van start. Radio-DJ’s halen dan vanuit het glazen huis zoveel mogelijk geld op voor een goed doel zoals vluchtelingen, malaria, oorlogsmoeders, en dit jaar: babysterfte.
Ik volg het graag en sta ieder jaar weer versteld van de ongelofelijke inzet, bereidwilligheid en creativiteit van de mensen; vorig jaar is er 8.5 miljoen euro gedoneerd, dit jaar meer dan 12 miljoen! Ik snap ook wel dat de radio als een magneet werkt en dat de marketing slim is, vlak voor kerst, maar er is meer.
In dit soort excessen uit zich onze enorme drang tot geven, een karrevracht aan empathie wordt in één week uitgestort over maakt niet uit welk goed doel. Volgens mij komt dat omdat we doorlopend over deze empathische vermogens beschikken, maar er in het dagelijks leven weinig mee doen. Het stapelt zich op en wil een weg vinden, deze natuurlijke menselijke eigenschap.

Juist in deze tijd kreeg ik het boek ‘Compassion’ van Karen Armstrong in handen. Deze ex-non en schrijfster is een internationaal handvest voor compassie begonnen, waarmee ze mensen wil aansporen hun vermogen tot compassie te koesteren en ontwikkelen, in de hoop een wereldwijde gemeenschap te vormen waarin volken in respect naast elkaar leven. Zo broodnodig nu.

Wat mij fascineerde in haar boek was de in beginsel puur fysieke benadering van compassie. Zo las ik dat de meedogenloze zelfzuchtige kant van ons mensen gelokaliseerd is in de hypothalamus, het deel van de hersenen dat we geërfd hebben van onze verre voorouders, de reptielen (leuk!). In de loop van de eeuwen hebben we daar ‘nieuwe’ hersenen bij ontwikkeld: de neocortex, die ons denkvermogen heeft gegeven en ons ‘tot wezens heeft gemaakt die naar betekenis zoeken.’
Uit verder onderzoek is bekend geworden dat we beschikken over ‘spiegelneuronen’, die oplichten als wij mensen andere mensen zien lijden. Daardoor kan het dat we de pijn van een ander voelen alsof het onze eigen pijn is. Een prachtig gegeven. Compassie is dus niet een toevallige tijdelijke emotie maar een fysieke component in ons lichaam.

En dan blijft natuurlijk de vraag: wat doe je ermee? Want ook het reptielenbrein, zij het in afgezwakte vorm, huist nog in ons. Waar kies je voor? Wat ontwikkel je door en zet je om in handelen, niet alleen in die ene week voor kerst maar het hele jaar door?
Dat is misschien nog wel het grootste goede doel, dat wij mensen daar op inzetten en meer vanuit compassie gaan leven. Er is in verhouding veel te veel geweld, haat, egoïsme; als ze ruimte krijgen nemen de reptielen het over.
Daarom steun ik deze serious request van Karen Armstrong: volg haar 12-stappenplan om compassie te versterken en teken het handvest op: www.charterforcompassion.org.

Een compassievol nieuw jaar gewenst!

Afscheid van mijn moeder

Terwijl ik op Bali zat hoorde ik dat mijn moeder was overleden. Ook al was ze al lange tijd dement en kon het telefoontje ieder moment komen, toch was het een schok. Ik zat te trillen op de veranda van mijn huisje aan een sawah en voelde direct dat ik terug naar huis zou gaan, naar haar en mijn familie.
Afgelopen vrijdag hebben we haar begraven. Een intieme begrafenis in kleine kring. Het meest bijzondere vond ik dat ik tijdens de ceremonie dingen over mijn moeder hoorde die ik nog niet wist over haar. Dat ontroerde me en het maakt mijn beeld over haar veel completer. Sowieso komt ze sinds haar overlijden steeds meer terug. Hoe ze was in vol ornaat: lief, zonder oordeel, kwetsbaar, met een lichte humor, haar neus vaak in de (archeologie)boeken en beweeglijk op haar hakjes. Dat vind ik heel helend, want het was door de dementie steeds meer afgebrokkeld.

In een stoet gingen we achter de kist aan naar haar plek op de begraafplaats, mijn broer en onze oudste zoon waren mededragers. Stap voor stap beleefde ik die tocht over de heuvelachtige begraafplaats. En als de kist dan werkelijk de grond in zakt, is het afscheid onomkeerbaar. Een diep verdriet. En ook iets anders wat ik niet kon plaatsen.

Vandaag hield dat andere me bezig. Ook omdat ik een mail uit Indonesië kreeg van de mensen aan de sawah. Ineens was ik weer op Bali en ik besefte dat toen ze daar hoorde dat mijn moeder was overleden, een van de vrouwen mijn handen pakte en me aankeek met een blik vol empathie maar ook met hoop.
In het Hindoeïsme is er geen echt begin en geen echt einde: alles wat bestaat gaat in een andere vorm altijd door, ook na de dood, als de golven van de oceaan. De dood is een overgang. Vlak na het overlijden is er een tussenperiode, onder andere van rouw bedoeld voor de nabestaanden. Dat duurt 12 dagen, daarna wordt de overgang gemaakt.

Vandaag is het 12 dagen na haar overlijden. En het valt me op dat mijn gemoed lichter is vandaag, ik kreeg zelfs zin om te schrijven. Het leven komt erdoor heen. In het afdalen diep in de aarde, op de bodem van het verdriet stopt het niet, maar komen er ook impulsen van leven doorheen.
Ik vind de gedachte heel mooi (en inderdaad hoopgevend) dat mijn moeder met de naam Saskia van der Noordaa-Dominicus van den Bussche in de verschijning van een lieve elegante vrouw op hakjes, nu is overgegaan naar een andere vorm.

Met of zonder ik

Afgelopen zaterdag las ik een essay in dagblad Trouw van prof.dr. André van der Braak met als titel ‘Boeddhisme, met of zonder ik’. Het stuk sprak me erg aan, ook omdat het zo aansloot bij het onderzoek dat ik aan het doen ben met de mensen die bij mij het studietraject ‘Pure en totale aanwezigheid’ volgen.
In het essay zegt van der Braak: ‘Het boeddhisme kan ons helpen ons individualisme te relativeren, door een heroverweging van sociale waarden als solidariteit, barmhartigheid, zorgzaamheid en dienstbaarheid. Anders gezegd: het gaat niet zozeer om een beter ik, maar om een nieuw wij.’ (leuk geformuleerd). En vervolgens gaat hij dieper in op een van de basiswaarden binnen het Boeddhisme: mededogen. Een prachtige eigenschap waar we van nature allemaal over beschikken, maar waar we in ons individualistische westen zo snel aan voorbijgaan.

In mijn boek ‘Een Zucht van verlichting’ wijd ik een hoofdstuk aan mededogen. Tijdens het studietraject hebben we gedurende een langere tijd geoefend met mededogen, in wat ik ons ‘laboratorium’ heb genoemd. Aan mededogen zelf valt niets te oefenen want het is er al, deze onafgebroken natuurlijke staat van zijn,  maar wel aan onze gerichtheid erop.

Uit Een Zucht: “Het onderzoek begon met dat we ons dagelijks openstelden voor het lijden van iets of iemand uit onze omgeving of uit de wereld. Dat kon van alles zijn: een beeld op het journaal, een bericht in de krant, iemand die ziek is, een familielid die hulp behoeft, een persoon op straat, iemand die stervende is.Onderdeel van de opdracht was om zodra je geraakt werd, je niet af te wenden of je persoonlijke voorkeur te laten spreken. Er zijn vele manieren van afwenden: het lijden afzwakken, wegkijken, je druk maken om je eigen sores, je beperken tot je eigen kringetje van mensen die je lief hebt, kwaad worden, denken dat je machteloos bent en dat je niks kunt veranderen. Het is vaak een kwestie van secondes, waarin je je wel of niet afwendt.
Ik moet denken aan toen mijn oudste zoon in het ziekenhuis lag omdat hij geopereerd was. Het was avond en ik ging na het bezoek weer naar huis. Ik liep door de verlaten gangen van het ziekenhuis op zoek naar waar ik eruit kon. Toen zag ik in de verte een vrouw in een rolstoel. Ze viel me op omdat ze daar zo moederziel alleen in die verlaten centrale hal was. Ik liep door want ik was moe, het waren lange dagen geweest in het ziekenhuis en ik wilde graag naar huis. Ik had de uitgang gevonden, maar toch knaagde het. Dus ik liep terug naar de vrouw en ik vroeg haar of er iets was. Toen zei ze: ‘Ik begrijp niet dat het cafetaria nu al dicht is, waar moet je dan heen ’s avonds als je wat wil drinken en om een praatje verlegen zit?’ Ze raakte me direct en ik ben even bij haar gebleven om een praatje te maken. Zo’n kleine moeite en ik was bijna doorgelopen.

Of het nou groot of klein is: je ziet het lijden, de pijn en je wendt je niet af maar blijft ermee in contact. Je wordt geraakt. Dan ervaar je mededogen. Daar volgt direct een spontane reactie op: een vanzelfsprekend natuurlijke drang tot geven. Door dit dagelijks te doen, merkten we dat we veel meer verbonden waren met anderen dan we hadden gedacht. We krijgen, na enige weken van oefening, steeds meer contact met mededogen, zodanig dat het op een gegeven moment vanzelf gaat, alsof de ‘natuur’ gewekt is.”

Van der Braak spreekt in zijn stuk over een ‘compassieveld’ dat manifest wordt. En omdat mededogen in onze diepste natuur besloten ligt, kun je daar zo op inpluggen. (zijn dan weer mijn woorden).
Voorbij de ik-gerichtheid, valt het onderscheid tussen jou en de ander weg. Het doorbreekt je persoonlijke voorkeur voor het liefhebben van je eigen ‘kringetje’. Beperkte liefde wordt alomvattende liefde.

Mededogen is ook op te wekken door het reciteren van deze mantra.

Meer over ons laboratorium in Een Zucht van verlichting, daar kun je ook de inleiding getiteld ‘Hekje’ lezen.