We love you back

michellebarackhug

Er zijn de laatste tijd dagen dat ik het nieuws vermijd en de krant links laat liggen. Puur omdat het me teveel aangrijpt en ik dan dagen van slag ben over wat er gebeurt in de wereld. Net zoals het me echt zorgen baart wat de nieuwe president Trump in zo’n korte tijd teweegbrengt; hoeveel makkelijker is het om iets kapot te maken dan om iets op te bouwen? En het is nog maar net begonnen.

Wat te doen?
Hoe om te gaan met de ontreddering over wat er allemaal gebeurt? Daar loop ik al enige tijd mee rond. En toen wees een lieve collega mij op de website van Barack en Michelle Obama. Direct werd ik getroffen door de foto en de tekst op de Homepage van hun site. Gearmd staan ze op het balkon van het Witte Huis, met de tekst ‘We love you back.’ Ik besef dat het altijd hun insteek is geweest: hun liefde openlijk tonen, voor elkaar, voor hun dochters, maar vooral voor veel verschillende mensen uit alle lagen van de bevolking. Dieper in de website vind ik een aantal kernbegrippen, waar ze voor staan en van waaruit ze de liefde activeren.

We respect , we empower, we include, we act.

En ineens vind ik dat een hele fijne kapstok, voor deze tijd. De woorden zijn me tot steun en geven richting.
Respect tonen, natuurlijk zou je denken, maar niet meer zo vanzelfsprekend nu we het gedrag zien van Trump. Wel iets waar ik me dagelijks op kan richten: respect opbrengen voor de ander, voor een andere mening, voor wat ik niet meteen kan volgen, voor wat anders is dan in mijn straatje past. Niet meteen oordelen, maar eerst maar eens wat meer in verdiepen.
We empower: autoriseren. Dat is zoiets als bevoegdheden aan anderen delegeren, door mensen te betrekken bij het beslissingsproces. Daar spreekt zoveel vertrouwen uit! Samenwerken vanuit vertrouwen in plaats van achterdocht. Betrek mensen in het proces van wat je bezighoudt en wat je aan het doen bent, in plaats van alleen een mededeling te doen of de uitkomst te delen.
We include: het opnemen en omvatten. En daarin kiezen voor samen, in plaats van het isolement en het eigenbelang. Alleen zijn we zo nietig, speldenprikjes op het megagrote prikbord van de aarde. Samen kunnen we de krachten bundelen en iets betekenen.
En tot slot: We act. Handelen! Doen wat je zegt, nakomen wat je belooft. Maar vooral: het doet ertoe wat je doet. Niet afwachten, niet denken: ‘Laat maar zitten, want ik kan toch geen verschil maken?’ Dat is niet zo. Wij zijn tot zoveel in staat. Het doet ertoe als je je uitspreekt, tot actie overgaat, je stem uitbrengt en de liefde uitdraagt op jouw manier.

Laten wij die ene zijn en doen wat moet gedaan. Jij en ik.

‘Ik geloof in jou en mij’

Advertenties

Fluistering

close-up-van-de-slak-shell-op-een-plank_1161-99

Mijn opa had een vlinderverzameling, een muntenverzameling en een in mijn ogen zeldzaam grote schelp, en ik was dan ook blij toen hij op een goede dag dichter bij ons in de buurt kwam wonen. Nu kon ik na school op mijn fiets naar hem toe, om naar de munten te kijken (de opgeprikte vlinders liever niet) en de zee in de schelp te horen. Kennelijk deed ik dat liever dan met een vriendin spelen of touwtje springen en elastieken op straat, wat ik ook echt leuk vond in die tijd. Maar dit ging voor.

Als ik binnenkwam zette mijn opa thee, ik ging dan alvast bij de kist staan en bekeek de munten die in kaarsrechte rijen waren uitgestald. Munt voor munt, ging ik ze af. De verschillende groottes, wat er opstond, en welke bij welke hoorden.
Dan dronken we zwarte thee, meestal met een blokje oude kaas erbij (ik geloof niet dat mijn opa ooit koekjes in huis had). En dan kwam het moment dat mijn opa zei: ‘pak ‘m maar.’ Ik liep naar het vitrinekastje en haalde heel voorzichtig de grote blauwwitte porseleinen schelp tevoorschijn. Mijn opa hield ‘m eerst tegen zijn eigen oor, dan knikte hij, en vervolgens hield ik ‘m tegen mijn oor. Wat vond ik dat mooi; eerst de spanning of er wel iets te horen zou zijn en dan heel in de verte het zachte geruis waar ik, hoe langer ik luisterde, de zee in herkende. En dan zei ik er iets over: dat de zee ver weg was dit keer, of juist dichtbij omdat hij wild was, soms was het de blauwe zee met de zon, soms de grijze zee in de winter… Ik kon er heel lang naar luisteren, tot mijn oor gloeide. Daarna legde ik de schelp voorzichtig terug.

We dronken nog een kop thee, en ik herinner me goed de stilte die er toen was, daar in de woonkamer van mijn opa. Zo anders dan voordat ik in de schelp had geluisterd.
En dan ging ik weer, opgetogen en gerustgesteld, terug naar de drukte in mijn straat.

Dit alles kwam in heldere penseelstreken voor mijn geestesoog door een tekst die ik tegenkwam van Julian Barnes uit ‘Het tumult van de tijd’:
De kunst is de fluistering van de geschiedenis, die boven het tumult van de tijd te horen is. (-) Wat kon er tegenover het tumult van de tijd worden gezet? Alleen de muziek die in onszelf zit –de muziek van ons wezen-, die door sommigen wordt omgezet in echte muziek. Die tientallen jaren later, als ze sterk, echt en zuiver genoeg is om het tumult van de tijd te overstemmen, wordt omgezet in de fluistering van de geschiedenis. Dat was waar hij (componist Dmitri Sjostakovitsj) aan vasthield.

Het vaste ritueel in mijn kleine leventje van het bezoek aan mijn opa was belangrijk voor me. Achteraf kan ik zeggen dat het mijn manier was om voorbij het tumult te gaan, om gehoor te geven aan een onbestemd verlangen naar iets diepers, een diepere fluistering. Opmerkelijk was dat we amper spraken bij deze terugkerende bezoekjes, net zomin als ik er met anderen over sprak. Dat verraadt voor mij ook de waarde ervan, het breekbare van zo’n fluistering, het diepere verlangen van mijn wezen.

Alleen de muziek die in onszelf zit –de muziek van ons wezen-, kan tegenover het tumult van de tijd worden gezet, zegt Barnes. Mooi vind ik dat, en zo actueel. Wat moeten we anders in deze rare tijd? De muziek van ons wezen zit in ons allemaal; het is doen waar je hart naar uitgaat, doen wat van waarde is voor je, echt en oprecht. Dwars door al het tumult heen, voorbij alle angst, ruis, geschreeuw, gelonk van de media, populistisch geroep van politici, gemanipuleer van commerciële zenders, dominant gedrag van de menigte…daaraan voorbij, luisteren naar de fluistering van iets diepers.

Dat vraagt onthechting, niet meteen reageren, niet met iedere rijdende trein mee, maar even blijven dralen op het perron. Afstemmen op een andere frequentie, om je eigen muziek te horen. Ook al is het een vaag geruis in de verte, als je erbij blijft, met aandacht, kan het een zee worden. De muziek van je wezen.

Ik wens je hele fijne feestdagen, met hopelijk weinig tumult en veel mooie muziek.

Dit vind ik zelf erg mooi: Lux Aeterna 

Het eerste geloof

longchen-rabjam-e9be99e992a6e5b7b4e5b08ae88085-40-jpg

Zolang als ik me kan herinneren ben ik gelovig. En dat heeft me altijd verbaasd, want waar had ik dat vandaan? Ik ben atheïstisch opgevoed en ik zat niet op een katholieke, protestante of antroposofische school of iets dergelijks. Ook had ik geen vriendinnen die daar mee bezig waren, of het moet dat ene vriendinnetje zijn geweest dat een netje knikkers kreeg als ze op zondag met haar moeder meeging naar de kerk. Ik wilde wel, ook zonder de beloofde knikkers, en dus ging zij ook.

Ik herinner me nog goed, de eerste keer dat ik in de kerk zat, hoe prachtig ik het vond. Het gebouw alleen al, en dan eenmaal binnen, de geur en de sfeer; het plechtige, aandachtige en stille, het samen zingen. Voor kinderen was er zondagsschool, op zolder boven een van de zijbeuken van de kerk. Daar werden verhalen verteld die ik erg mooi en ook spannend vond. Ik mocht er niet heen van mijn ouders, maar sinds dat eerste bezoek was er iets onomkeerbaars gebeurd, dus ging ik stiekem. Ik glipte de kerk binnen, pakte net als iedereen het zwart gekafte liedboek, nestelde me onopvallend achterin, en zong mijn eigen lied (ik had geen idee wat er stond). Ik zag de engelen aan het plafond, Maria in de nis, het lichtspel door de glas in loodramen en vertoefde soms zo in mijn eigen wereld dat ik vergat naar de zolder te gaan.

Maar het was al voor de zondagsschool dat ik vanzelfsprekend tot iets/iemand sprak als ik verdrietig was, bang of eenzaam. Thuis deed ik dat met mijn hoofd onder mijn kussen, onderweg lopend naar school prevelde ik voor me uit. Het was er gewoon, als vanzelf en ik sprak er met niemand over. Maar wanneer is het begonnen? Dat fascineerde me al een tijdje en toen las ik onlangs dit citaat in ‘Nora’ van Colm Tóibín (pag.370):

Om te kunnen geloven, moet je geloven. Als je eenmaal geloof hebt, kun je meer gaan geloven, maar je kunt niet geloven voordat je begint met geloven. Dat eerste geloof is een mysterie. Het is een soort geschenk. En dan is de rest logisch, of kan het zijn. Maar het kan niet bewezen worden, zei ze. Je kunt het alleen voelen. Ja, zei hij, maar het gaat niet om bewijs. Het is niet als twee plus twee, maar meer of je licht toevoegt aan water. Je moet eerst iets hebben.

Je kunt niet geloven voordat je begint met geloven. Er ging een golf van herkenning door me heen. Er is geen beginpunt, omdat het er altijd al is geweest, als een vaste waarde. Een geschenk. Alsof je licht toevoegt aan water, een helder beeld en tegelijk niet te begrijpen. En dat is misschien wel wat me er het meest in aantrekt: dat ik het niet begrijp. Ik hou van dingen (en mensen) die ik niet begrijp.

Dat er zoveel meer is dan ik kan vatten en bevroeden, stelt me gerust. Wat me binnenvalt, me ontreddert, me koestert in het holst van de nacht en wat me meetrekt naar plekken waar ik logischerwijs niet heen zou gaan, dat maakt me gelukkig. Het deel van mijn man waar ik geen vat op krijg, de invallen bij het schrijven waar ik altijd weer op hoop maar die ik niet kan bedenken, de ontmoeting met een onbekende die iets zegt wat me verrast, de teksten van de Dzogchenmeesters Padmasambhava en Longchenpa die me diep raken zonder dat ik ze echt begrijp. Het idee dat er nog zoveel meer is in het heelal dat oneindig en ongekend is.
En daarom snap ik niet dat geloof zo vaak versmald wordt tot één instituut of persoon of boek. Dat het wordt vastgepint op een kerk, een tempel of een moskee, waar slechts een belijdenis kan zijn? Dan gaat wat mij betreft het geschenk verloren. Het eerste geloof is van voor die verschijningsvormen, het is een mysterie. En dan is de rest logisch.

 

Onverschrokken liefde

Valentijnsdag is de dag waarop geliefden elkaar extra aandacht geven met bloemen, cadeautjes, of een kaartje. Op mijn lezingen wordt meestal wel duidelijk dat ik een groot voorstander ben van iedere dag Valentijnsdag; je geliefde aandacht geven..doe dat vooral dagelijks! Want wat is er fijner dan een kus, een aai, een compliment, een goeie grap, een onverwachts gebaar en oprechte aandacht van je geliefde te midden van de dagelijkse sores?

Los daarvan was ik wel benieuwd naar het hoe en waarom van Valentijn en van 14 februari? Ik kwam het volgende tegen:
In 496 riep Paus Gelasius 14 februari uit tot de dag van de heilige Valentijn. Maar er was in die tijd verder geen enkel biografisch gegeven over hem bekend. Wel deed er een legende de ronde over een jong paar dat bij bisschop Valentijn kwam met het verzoek hen te trouwen. De man was een heidense soldaat, de vrouw een christen. Valentijn vond de liefde zwaarder wegen dan de wetten van de keizer, en huwde het stel. Al gauw kwamen meer paren met hetzelfde verzoek. Hij werd aangegeven en gearresteerd. Toen hij voor de keizer moest verschijnen, probeerde hij die te bekeren. Claudius voelde zich beledigd en liet Valentijn martelen en onthoofden. Dat gebeurde op 14 februari, maar welk jaar het was, is onduidelijk. Voordat het vonnis werd uitgevoerd, zag Valentijn nog kans het dochtertje van de gevangenisbewaarder een briefje toe te stoppen: ‘Van je Valentijn’, stond erop.

Niet zo heel romantisch, 14 februari als de dag waarop Valentijn gemarteld en onthoofd werd (toegegeven: dat briefje voor de dochter dan weer wel). 
Maar wel heel mooi dat deze bisschop Valentijn de liefde zwaarder liet wegen dan de wetten, en daarvoor bleef staan, ook als dat betekende dat de dood erop volgde.

Heel in de verte herken ik daar wel iets van: op een goed moment in mijn leven was het een besluit dat ik de liefde erkende als een belangrijke levensbehoefte en niet als een prettige bijkomstigheid. Ik wilde er vol voor gaan. Vanaf toen was duidelijk dat als het niet goed ging in mijn liefdesrelatie, het niet goed ging met mij. Dan wist ik dat er werk aan de winkel was: niet denken dat het wel vanzelf overgaat maar bespreken, eerlijk zijn over mijn verlangens, niet zwichten, blijven zoeken, benieuwd ook naar zijn motieven, onthechten en onbevooroordeeld kijken en echte aandacht geven, dat soort zaken. Ik heb het bovenaan mijn lijst van ‘heel belangrijk’ gezet, wat betekent dat ik het standvastig moet uithakken in mijn dagelijkse drukke leven, waar zoveel dingen altijd weer strijden om aandacht. Een onverschrokken keuze.

Aan het slot van mijn boek ‘Een schat aan liefde’ schrijf ik: De schatkamer van je relatie is goed gevuld. De kunst is nu om die schatten te koesteren en aan te blijven spreken. En je niet te laten leiden door de waan van de dag, door de onbenullige dagelijkse gewoontes of dwingende activiteiten die strijden om voorrang. Wat kan nou belangrijker zijn dan de liefde? Ik kan niks bedenken.

Fijne Valentijnsdagen door het jaar heen! En veel plezier met het uithakken van jouw schat aan liefde.

In de maand februari krijg je een kaartenset kado bij mijn boek (om degene die je liefhebt 6 keer een kaartje te sturen).

Cirkel van invloed

Terug van een vakantieperiode, wat in mijn geval een krant-televisie-social medialoze tijd betekent, grijpt het me naar de keel: het nieuws. En dan vooral de berichten over de grote stroom van vluchtelingen die op gang is gekomen, en de opmars van IS.
Het baart me zorgen en een gevoel van onmacht maakt zich van me meester: waar moet die enorme stroom van ontheemde mensen heen? Een tijdelijke opvang –als die er al is- is nog geen thuis. En dan hebben we het nog lang niet over een mogelijke toekomst?
Dan weer verschijnen beelden op mijn netvlies van aanhangers van IS die de tempel Baal-Shamin in Palmyra vernietigen of de foto van Kayla Meuller die tot persoonlijk eigendom van IS leider Abu Bakr al-Baghdadi was gemaakt. Hoe ver kan het gaan en waar gaat dat heen?

Toen ik vannacht wakker werd en het nare gevoel me weer als een insect bekroop, herinnerde ik me ineens een advies dat ik ooit kreeg van een wijs persoon.
Hij zei: ‘Je moet onderscheid leren maken tussen jouw veld van aandacht en je cirkel van invloed.’ Hij liet me op een groot wit papier een veld tekenen met daarin alles wat mijn aandacht trok de laatste tijd. Dat was nogal wat en het veld bestreek zowat het hele vel papier. Vervolgens moest ik daar binnen een cirkel tekenen met alle personen en kwesties waar ik daadwerkelijk invloed op kon uitoefenen. Deze cirkel was aanzienlijk kleiner.
Het gaf me direct rust, gevoelens van onmacht verdwenen, er kwam richting.
Niet alles wat je aandacht trekt, kun je beïnvloeden, of anders gezegd: het is zinniger om je aandacht te richten op zaken waar je invloed op hebt, en op die manier bij te dragen aan deze wereld.

Daar moest ik aan denken afgelopen nacht, en ik werd wakker vanochtend met zin in deze dag. Zin om voluit te gaan doen wat binnen mijn cirkel van invloed ligt, met om te beginnen: pannenkoeken bakken als ontbijt voor onze jongste die zo geen zin heeft in zijn eerste schooldag. En vervolgens: mijn werkkamer op orde brengen voor alle lieve mensen die daar het komende seizoen langskomen, maar ook: me voorbereiden op het inspiratietraject rond de liefde dat ik samen met mijn man ga geven. Ik ga dagen inplannen in het najaar zodat ik de deuren van mijn coachingspraktijk ook in Amsterdam kan openen, en ik zal mijn gedachten laten gaan over wanneer en hoe ik weer een studietraject rond boeddhistische Dzogchenteksten zal starten, omdat daar vraag naar is. En niet te vergeten: deze blogtekst schrijven, want dat doe ik zo graag.

Ik ben er weer, fijn dat jij er ook bent. Veel plezier en succes met alles wat jij gaat doen, binnen jouw cirkel van invloed.

Mijn aanbod dit najaar:
‘Schatkamer van de liefde’, inspiratietraject van 3 losse dagen
‘Voluit liefhebben’, lezing op 26 nov
coaching en relatiecoaching, in Empe en Amsterdam

Wild

Onlangs heb ik ‘De nieuwe Wildernis’ gezien, een prachtige natuurfilm over natuurgebied de Oostvaardersplassen. Het is bijna niet voor te stellen, maar in ons kleine drukke landje is er een strook van wilde natuur waar een grote variatie aan dieren naast elkaar leven; vossen, herten, ijsvogels, wilde paarden.. Het is zeker de verdienste van de makers, ze hebben het mooi gefilmd en gemonteerd, maar het gebied zelf is van ongekende schoonheid.
Wat mij het meest raakte was het feit dat als je een gebied met rust laat, er zo’n rijkdom en schoonheid ontstaat. Als wij mensen ons er niet mee bemoeien, komt de natuur tot zijn recht, dat is wat ik gisteren dacht toen ik zat te kijken. En meer nog: als wij niet storen komen er diersoorten terug die voorgoed verdwenen leken.
Hoeveel plekken zijn er nog in Nederland waar wij mensen van afblijven? En hoe wezenlijk is het om stukken wildernis in je land te hebben? Ik kreeg een keer advies van iemand die naar mijn idee heel veel van tuinen wist, ze zei: ‘Zorg dat je niet je hele tuin op orde hebt, maar hou altijd een wild hoekje. Dan kunnen de dieren hun gang gaan en dat bevrucht de hele tuin.’

In dezelfde tijd heb ik het boek ‘Wild’ gelezen. Over een jonge vrouw die op het dieptepunt van haar leven een voettocht van 1700 km langs de Pacific Crest Trail in west Amerika maakt. Helemaal alleen trekt ze met een loodzware rugzak de wildernis in. Het is natuurlijk vreselijk afzien, haar teennagels vallen eraf, ze heeft continu honger, krijgt te maken met beren, ratelslangen en sneeuw, maar ze houdt vol. Ze krijgt zoveel terug van de wildernis, dat het haar op de been houdt. En wat ik erg mooi vind: haar verdriet over haar veel te jong gestorven moeder en haar gewelddadige vader die ze op jonge leeftijd moest ontvluchten, krijgt ruimte. De wildernis neemt het op, en werkt louterend voor haar. Dat is wat de ongerepte natuur ook kan doen.

Ik moet denken aan waar ik nu zelf in zit; ik ben aan mijn volgende boek begonnen en zit weer met regelmaat te schrijven. Soms gaat het goed, kom ik op gang op een manier dat ik denk; ja dit is de goede kant op. En soms heb ik een ochtend zitten schrijven en weet ik dat het pure ruis is, waar nog vele stofkammen doorheen moeten. Het ploeteren en stromen wisselen elkaar af. En ik weet dat dit de enige weg is om het ‘huis’ te maken waarbinnen de inhoud tot leven kan komen. Maar belangrijker nog is dat ik weet dat ik de beste invallen krijg op de momenten dat ik me er niet mee bemoei. Als ik er met mijn tengels van afblijf.
Dat is voor mij de kunst van het schrijven; de balans vinden tussen cultiveren en schrijfmeters maken en het laten gebeuren aan me, zodat de natuur z’n gang kan gaan. Nog vele kilometers te gaan!

Wild – van Cheryl Strayed
De Nieuwe Wildernis trailer

Een signaal van liefde

Onlangs vierden we de 18e verjaardag van onze oudste zoon. Er kwamen vijftien jongens, nou ja jonge kerels, eten. Ik was de hele week al een beetje ‘wiebelig’, omdat tot me doordrong wat een mijlpaal het was. Onze oudste nu volwassen, in zijn eindexamenjaar en bijna uit huis. Van alles ging er door me heen. Flitsen van hem op zijn kleine fietsje, van hem met zijn blauwe mutsje als hij weer oorontsteking had, van de speurtochten en quizzen, zijn eerste vriendin, samen op reis, naar cabaret. Het leek ineens zo snel gegaan en het maakt mij als moeder op een bepaalde manier ook ouder.
Ook was er het besef dat dit het was, wat je je kind dan mee hebt kunnen geven. Was het genoeg? Ik krijg een flashback van Jochem die klaagt dat we toch echt de enige ouders zijn die zulke regels stellen. En ik herinner me weer onze noodmaatregel: maar één avond uit in het weekend. Omdat hij altijd ziek werd na twee avonden tot laveloos stappen.

Het valt samen met dat ik allemaal jongeren aan het interviewen ben voor mijn nieuwe boek. Het gaat over liefde & seks. En ook over alcohol, omdat het drinken invloed heeft op de seks en het wel of niet veilig vrijen. Tegelijkertijd verschijnen er in de media berichten over de eerste hulpafdelingen in ziekenhuizen, die in het weekend steeds meer overspoeld worden door comazuipende jongeren.

Wat me opvalt is dat alle jongeren die ik heb geïnterviewd zeggen dat ze het normaal vinden als de regel is dat ze niet mogen drinken voor hun 16(terwijl ze wel allemaal eerder hebben gedronken). Ze zeggen: “Anders heb je op je 16e alles al gehad, en moet je steeds meer en sterker.” Ze zijn er zeer duidelijk in dat ze regels nodig hebben. “Geen regels geven lijkt alsof je niet om je kind geeft.” En: “Veel ouders van mijn vrienden zeggen dat het heeft toch geen zin om het te verbieden, maar als er geen grenzen zijn dan stoppen ze niet. Ik mocht niet zoveel en deed het stiekem een beetje. De regels hebben me echt afgeremd, anders was ik veel jonger en vaker al dronken geweest.”
Ik vind dat een boeiend gegeven: dat er een verlangen is vanuit de jongeren zelf naar regels, om ze te overtreden én omdat ze een remmende factor hebben. Maar wat er volgens mij onder zit is dat de ouder die consequenties verbindt aan de regels en toont ook geschokt te zijn als het kind laveloos is, een wezenlijk signaal afgeeft.
Een signaal van liefde.

Het was een hele vrolijke avond, met die grote binken aan de lange tafel, die veel aten en nog meer zopen, en ook een jongensverzoek hadden: of we nog een keer de ‘Hoe-goed-ken-je-Jochemquiz’ konden doen? Uiteraard. Voor de laatste keer.

Er is een (ingekort) stuk van me verschenen in dagblad Trouw, met als titel: ‘Ouder die regels stelt, geeft kind blijk van liefde’.