Columns

-Sportschool Etude-

Sinds ik niet meer kan hardlopen vanwege mijn pollenallergie (ik liep altijd door de weilanden en langs bermen vol onkruid), ga ik naar de sportschool. Niet van harte, maar het is nodig zolang ik niet wil verstrammen en wil blijven eten wat ik graag eet. Ik eet aardig gezond maar daarbij drink ik graag wijn, ben ik dol op borrelhapjes, verslaafd aan pure chocola en zeg ik eigenlijk nooit nee als iemand mij een lekkere koek of stuk taart aanbiedt. Dat opgeteld bij mijn leeftijd en zittend werk, leidt logischerwijs tot een sportschoolabonnement.

Ik zeg ‘niet van harte’ maar ik vind het bij vlagen vreselijk in de sportschool, met name de eerste tien minuten: de geur bij binnenkomst, zowel beneden, als boven in de kleedruimte, het omringd zijn door jonge soepele mensen, die als mallen tekeer gaan en vooral krachttraining doen, het weten dat ik om te beginnen weer 10 tot 20 minuten op die crosstrainer zal gaan, en dan nog een batterij aan apparaten af moet, met setjes van steeds 3 keer 18. Niet erg motiverend. Maar daar heb onlangs iets op gevonden. Een manier om mezelf voor de gek te houden, maar ook weer niet heel gek, want ik geloof er wel in.

Om te beginnen zeg ik tegen mezelf bij de crosstrainer: ‘Je hoeft maar 5 minuten vandaag.’ Opgewekt stap ik dan op dat ding, want dat gaat me lukken. Als ik dan bij de 5 minuten ben, merk ik dat ik nog best even doorkan: ‘Okay, nog 2 minuten dan.’ En als ik dan bij de 7 minuten ben, denk ik: ‘Nou ben je bijna bij de 10, maak dat maar even rond.’ En eenmaal bij de 10, zeg ik: ‘Het zou mooi zijn als je tot de 12 ging, want dan kan je de volgende keer richting de 15 minuten.’ Dat vind ik een hele goeie optie voor de volgende keer, dus ik pak er nog 2 minuten bij.
En ja eenmaal bij de 12 minuten, ga ik door een grens heen, mijn lichaam wel te verstaan, en dan dondert het niet meer, dan kan ik rustig door tot de 15 minuten en zelfs tot de 20 minuten.

Bezweet stap ik af, drink m’n halve bidon leeg en dan grijnst die hal aan apparaten me toe, nou ja, grommen is het meer. Ik ben weer terug bij af, de weerstand is weer net zo hoog. Ook daar heb ik iets op verzonnen. Ik zeg tegen mezelf: ‘Je mag vandaag stoppen na 3 apparaten, kies er maar 3 uit.’ Het klinkt als een traktatie en hup daar ga ik. Ik kies er 3 uit en ga er helemaal voor: enthousiast 3 setjes van 18. Dan ben ik klaar en denk ik: ‘Mmm, ik heb wel erg weinig beenspieren gehad.’ Dus ik pak er nog 2 beenspierapparaten bij. En dan denk ik: ‘Ja en die billen dan?’ En zo dirigeer ik mezelf door mijn eigen etude in de sportschool.
Waarbij het wel heel belangrijk is om soms ook echt te stoppen na 3 apparaten. Dat doe ik dan ook onverwachts, ik pak mijn bidon en loop na een half uur sportschool met ferme pas naar boven, naar de kleedkamer. Spullen pakken en wegwezen. En me dan net zo voldaan voelen als een volle keer van een uur, want anders werkt het bouwwerk niet. Je moet jezelf wel op een goeie manier voor de gek houden.

Logica brengt je van A naar B. Verbeelding brengt je overal.
Albert Einstein


–Middagje aan zee–

Fascinerend hoe een mens signalen kan negeren.
Het was woensdag en het zou warm worden, wel 30 graden. In de ochtend had ik nog gesprekken en daarna moest ik een boek lezen voor mijn werk. Het leek me lekker om dat aan zee te doen. Als alles een beetje vlot ging, kon ik om 13.00 uur de trein pakken vanuit Amsterdam.
Eenmaal aangekomen op het station, perron 1, schrok ik: wat is hier aan de hand? Een staking ofzo? Tot ik besefte dat deze grote mensenmassa met mij de trein in zou gaan richting Zandvoort. Dit was een eerste signaalmoment: ik had rechtsomkeer kunnen maken, maar mijn ongebruikte badpak en enthousiaste voornemen waren sterker.
Als sardines stonden we opgepakt in de treincabine en als vee gingen we de trein uit, door een sluis, over hetzelfde pad richting zee. Toen begon het te wringen, dan maar in de berm maar zo achter de kudde aan, staat me echt tegen. Zodra ik linksaf kon, deed ik dat. Ik liep in ferme pas over de boulevard, net zolang tot ik weer zicht had en iets van ruimte zag beneden op het overvolle strand. Dat was een heel eind lopen. Uiteindelijk vond ik een verdwaalde strandstoel op een iets rustiger stuk strand, maar geen parasol. Alle parasols, zelfs de geknakte, waren verhuurd, met deze felle zon. Het volgende signaal dat schreeuwde ‘weg hier’.
Maar ja, toen zag ik de zee. En voor ik het wist lag ik erin. Dat was lekker, echt lekker, en wat een ruimte, als je richting de horizon keek! Ik bleef er zolang mogelijk in.
En toen dat boek, dat ik wilde lezen, droge stof dat wel enige concentratie vroeg, maar in de brandende zon ging dat niet. Een zoektocht volgde naar een tafeltje in de schaduw op een terras, eindelijk gelukt, tevreden en klaar voor de start. Zit er vlak achter me een vrouw te praten met een man. Nou praten er wel meer vrouwen, maar deze sprak net iets te hard en met een gedrevenheid waarin ik een tekort aan aandacht bespeurde of het indruk willen maken in de beginfase van een onzekere romance. Het was het laatste, gegeven de anekdotes met grapgehalte over haar werk, die zijn allang versleten als je langer in een relatie zit. Ik moest ernaar luisteren, benieuwd naar waar dit heen ging en naar zijn reactie ook wel, maar vooralsnog bestond die uit: ‘Mm’ ‘O ja?’ Of een korte lach. En dat bemoedigt.
Toen werd deze exercitie een uitdaging: een meditatieopdracht om me af te sluiten voor de woordenbrij van de vrouw en me te focussen op de inhoud van mijn boek. Dat lukte. Een uur lang. Toen was ik moe. De vrouw niet. Toen ik terugliep naar het strand hoorde ik haar nog net zeggen: ‘Dat is hard gegaan met die Rosé, zullen we nog een flesje bestellen?’ Zeg nee! dacht ik. ‘Mm’ hoorde ik hem zeggen. Jammer. Voor mijn geestesoog ontvouwde zich een doodlopend liefdespad.
Ik ging op mijn strandbed liggen en voor ik in slaap viel, zag ik nog hoe twee jongens voor me op hun handdoek in de hitte aan hun vijfde biertje gingen van hun sixpack Heineken en nergens last van hadden.
Om half 7 werd ik wakker. De jongens waren weg, het was rustiger aan het strand, ik had zicht op zee! En zo lag ik te mijmeren terwijl de zon in sterkte afnam, tot ik besloot om naar huis te gaan; het zou rustiger zijn in de trein. Maar geheel in de lijn van deze dag, zat ik er weer naast.
Indiase taferelen, waarbij mensen meenden zichzelf en hun bolderkar, strandtassen en parasols, er nog best bij te kunnen duwen vlak voor de deuren van de trein dichtgingen. Ik werd ingeklemd door warm, bezweet, ingesmeerd vlees. En probeerde dezelfde meditatie te betrachten als op het terras: me afsluiten en te concentreren op iets anders. Op de baby dan maar vlak voor me in een kinderwagen. Maar de baby was moe en stond op huilen, de moeder had gelukkig allerlei afleidingstrucs die goed werkte. Toen ging haar mobiel af, en in een reflex stak ik mijn hand omhoog ‘niet opnemen’, dacht ik. Ze keek me vragend aan en nam op. Ik snap het wel, er zijn zoveel redenen om signalen te negeren. De baby zette het op een krijsen en de rest van het half uur…daar was niet tegenop te mediteren, zoveel zweet en tranen.
Een middagje aan zee, ik was blij toen ik weer op mijn fiets zat, met de wind in mijn haren door het rustige Amsterdam.


–Charlotte–

Het is allemaal begonnen op het moment dat ik bijna achteloos mijn familienaam intypte en de grote bibliotheek van internet een zoekopdracht gaf. Ik had niet kunnen vermoeden dat er zoveel achter een naam tevoorschijn kon komen. Zoekgeraakte familie, niet gekende familie, nooit geweten prijzen uitgereikt aan familie, rivieren met een stukje familienaam en ga zo maar door. En temidden van dat alles: het hervinden van mijn overgrootmoeder Charlotte. Niet dat ik haar niet kende. Er waren anekdotes en ik had ergens een foto: een stille vrouw, gefotografeerd van opzij in een donkere jurk, het haar sluik naar achteren gebonden, in haar ogen een afwezige blik.
Via een verre oom echter, kreeg ik een heel ander portret. Een uitdagende vrouw, liggend op een sofa in een zijdeachtig gewaad, haar blik recht in de camera, het haar krullend los en om haar bovenarm een opvallende armband. Ik heb het allemaal kunnen checken op het net: zij was het wel degelijk.
En toen ontvouwde zich een andere kant van Charlotte Trouessart-Lochard.. Ze schilderde en had talent: ze kreeg les in Parijs aan de école du Louvre. Haar werk werd steeds omvangrijker, maar haar schilderijen hebben tijdens haar leven nooit de buitenwereld bereikt (1896). Ze mocht van haar man haar werk niet signeren. Het was een liefhebberij, zo meende hij, een activiteit die binnenskamers diende te blijven. Ik zag de vrouw in de zwarte jurk met het sluike haar knikken en zich stilletjes terugtrekken in haar atelier. Alwaar haar alter-ego achter gesloten deur haar gang ging. Honderden werken heeft ze gemaakt met dikke verfstreken in rijke kleuren. Eén daarvan hangt nu bij mij aan de muur. Onlangs heb ik het schilderij uit moeten lenen. Mijn oom heeft er voor gezorgd dat er alsnog een expositie van haar werk is gekomen in Parijs, die met grote belangstelling is bezocht.
In 1944 is Charlotte gestorven, aangereden door een Duitse tank, enkele dagen voor de bevrijding. Als haar geest hier nog rondwaart, dan zou ze zeker glimlachen bij het zien van zoveel vreemde blikken op haar ongesigneerde werk.
Na 60 jaar, haar bevrijding.


–Emigreren uit een veilig landschap–

Met pijn in m’n buik rijd ik weg van de boerderij. ‘Kan het wel?’ Er is zoveel aan de hand thuis en het werk en de kinderen en… Schuldgevoel dringt zich aan me op. Mag je zo verlangen naar alleen zijn? Hoe leg je uit dat je daar een ander soort van geluk aan beleeft? Niet omdat de ander tekortschiet maar omdat de stilte iets biedt wat met niets te vergelijken is? Mijn man heeft de afgelopen week drie keer gezegd dat het echt kan, dus ik ga.
Met een grote stapel boeken, een bikini, mijn Apple en een foto van de kinderen, rijd ik richting Bergen aan Zee. Tijdens de autorit voel ik het al gebeuren: het alleen zijn omhelst me direct en ik begin te huilen. Huilen van herkenning; O ja, zo voelt het en hoe fijn is dat! Hoe is het mogelijk dat ik weer zo lang gewacht heb?

Diezelfde middag ben ik al aan het strand. Zitten, staren, lezen. Ik begin met ‘Het geluk van de eenzaamheid’ van Connie Palmen: “Iedere schrijver emigreert uit een veilig en vertrouwd landschap. Het is het ondergaan van de prikkel om gebaande paden te verlaten en zelf na te denken.” Ik zie mezelf in een flits in de universiteitsbibliotheek van Amsterdam zitten. Een heel jaar had ik achter de rug waarin ik mijn propedeuse met pijn en moeite heb gehaald. Zo vaak heb ik in die bibliotheek gezeten en ineens vliegt het me aan. De ruimte met opgebruikte zuurstof, de vreemde stilte rond de studenten die zich verbijten op een te snel naderend tentamen, de bruine bekertjes met automatenkoffie, de grijze kasten met de verkeerde boeken. Ik krijg geen lucht. Voor mijn neus ligt een syllabus ‘Strafrecht’. ‘Even tanden op elkaar en stampen, dan haal ik het wel, net als al die andere tentamens.’ Dat is het, besef ik, deze hele exercitie is een straf. Een zelfopgelegde straf omdat ik intelligent ben en met mijn studie Rechten wil voldoen aan een generaties lange verwachting. Ik wil niet buiten de familieboot vallen, ik wil erbij horen. Ik kijk om me heen. Hierbij dus. En ik neem een besluit. Ik loop weg om niet meer terug te komen. Niet alleen laat ik mijn strafrechtboeken achter, maar ook de mensen die tot dan toe mijn baken waren geweest in die grote stad.
Mijn eerste ervaring met emigreren uit een veilig landschap.

Dagenlang heb ik daarna door de stad gedwaald. Ik durfde er met niemand over te spreken. Bovendien had ik geen goed verhaal, geen alternatief. Als je emigreert, weet dan tenminste naar welke bestemming? Toen op een ochtend -ik liep door de ‘Nieuwe Doelenstraat’- zag ik een bordje met Studieadviescentrum. Ik liep naar binnen om daar zeer behulpzame mensen aan te treffen en een kastenwand vol ordners met alle mogelijke opleidingen. Ik wist niet dat er zoveel waren?! Ik kende alleen rechten, economie, medicijnen en de pabo, om lerares te worden.
Na een dag bladeren wist ik het: de Kleinkunstacademie! Ik schreef het lijstje over waar je aan moest voldoen bij de toelating en liep opgetogen naar buiten. Het eerste wat ik deed was in de Gouden Gids een zangleraar opzoeken. Dansen kon ik wel een beetje en acteren vond ik op de middelbare school al leuk. Maar zingen? Nooit gedaan. Ineens had ik een missie. Wist ik veel dat er van de 1000 aanmeldingen maar 10 werden aangenomen en dat er een slopende selectieperiode van een jaar zou aanbreken?

Het begint te waaien aan het strand. Ik verplaats mijn stek naar het terras van de strandtent. Er zijn meer mensen alleen op het terras. Nou ja, alleen? Bijna allemaal zitten ze op hun mobiel, IPad of laptop. Ik bestel koffie en staar voor me uit.

Je kunt niet werkelijk creatief zijn als je op het gebaande pad blijft, heb ik geleerd op de Kleinkunstacademie. Risico en angst horen erbij. ‘Dat ben je verschuldigd aan je publiek, dat voor jou uit hun warme huizen van hun vertrouwde bank afkomt en twintig euro neerlegt voor een kaartje!’ is ons iedere dag ingepeperd. Zo leuk als de brochure eruit zag, met foto’s van zingende mensen, Spaans dans, tapdance, acteerlessen en werken met bekende regisseurs, zo confronterend was het in de praktijk. Al die danslessen kregen we wel, o ja, iedere dag vanaf 9.00 uur stonden we er in onze balletkleren. Eerst een paar uur zweten en daarna door naar zang ‘Wat doe jij ’s avonds dat je stem zo’n raar randje heeft?’ Door naar spraakles ‘Je moet werken aan je houding’ en daarna naar liedperforming ‘Wat wil je nou eigenlijk zeggen, het is veel te braaf, te voorspelbaar.’ Dagen achtereen zongen we hetzelfde nummer: ‘Love me tender’ van Elvis Presley. Net zolang tot je het lied vanuit je diepste zelf zo eigen had gemaakt, dat het publiek The King vergat en alleen nog maar naar jou luisterde. Maar wie ben ik dan? En wat denk ik toe te voegen aan zo’n briljant liedje? Dat kost tijd. En pijn en moeite. ‘Jullie moeten voorbij die grenzen, het open landschap in.’

Lef om te gaan, waar je liever zou blijven. Dat doet altijd een beetje pijn. Eenzaamheid hoort erbij, wil je iets nieuws scheppen. Er doemen eenlingen op voor mijn geestesoog en ik besef dat ik op mensen val die graag alleen zijn. Toen ik mijn man net leerde kennen vertelde hij dat hij als kind op zijn eigen verjaardagsfeestje meestal alleen achter de bank zat met een stripboek. Ik was op slag verliefd. Mijn oog valt vaak op degene die buiten de groep valt. Net anders, onaangepast, prikkelend. Eenzamen met een vrije geest.

Ik ga nog wat kuieren langs de zee. Dan pak ik mijn blocnote, ik zie de lege bladzijde. Een lichte rilling trekt door me heen. Angst. En nu wachten tot de benieuwdheid sterker wordt.

Advertenties