Pelgrim

Deze zomer zijn we naar de Spaanse Pyreneeën geweest en vervolgens hebben we de Noordkust, de Costa Verde, verkend. Ik vond het schitterend daar, ik kan niet anders zeggen; de natuur, de bergen, de rotsachtige kust met vlak daarachter weer de bergen, Bilbao met z’n uniek vormgegeven Guggenheim en de prachtige oude dorpjes, waar je overal en altijd de lekkerste tapas kunt eten en de geurigste café solo voor een euro, en niet te vergeten: wat zijn die Spanjaarden aardig! Soms regent het maar ja, dat maakt het juist zo mooi en groen daar, plus nog onbedorven (lees: geen massacampings aan de kust). Maar dit is geen reisblog dus ik ga geen vakantieverhalen oprakelen. Waar ik wel graag over wil schrijven is een ervaring die ik had in Santiago de Compostela, de stad waar we helemaal niet heen gingen maar waar we toch terecht zijn gekomen.

Het was een regenachtige dag, voor ons de eerste sinds we kampeerden, en er was meer regen op komst. Dus we besloten niet te gaan zitten kniezen in onze tent (ik snap niet dat er mensen zijn die dan vrolijk gaan zitten kaarten in een hele kleine natte voortent). Dus wij pakten een klein tasje in en besloten de kust verder af te struinen. We stapten her en der uit en bleven ons verbazen hoe wonderschoon die hele kustlijn is. Onderweg zagen we met regelmaat mensen wandelen over de Camino de Santiago, met rugzakken op en regencapes aan. Ook een gezin met kinderen. Ik kreeg de neiging ze een lift aan te bieden, wat heftig zo door de regen en nog zo lang te gaan! Maar ja dat is natuurlijk de grap ervan dus ik mocht het van Bas niet eens vragen.
En toen ineens werden we gegrepen door de borden Santiago.. de belofte ervan en alles wat we er ooit over gehoord hadden. Dus we besloten door te rijden -nog vier uur te gaan- en het was het heel erg waard. De sfeer in de oude stad en de prachtige kathedraal waar het allemaal om draait, die gonsde van leven.

Bijzonder om in zo’n grote kerk te zijn die zo bruisend is; het is een komen en gaan van mensen, pelgrims zitten moe maar voldaan in kerkbanken bij te komen, er wordt gebiecht in open hokjes bij priesters die er als hartelijke empathische vaders uitzien (en niet als verdroogde bleke mannen) en tussen alles door zijn er gewoon diensten die druk bezocht worden. We hebben er heel wat dankbare tijd doorgebracht. En terwijl ik daar zo’n beetje zat, dacht ik: ‘Waarom hebben wij in Nederland eigenlijk niet zo’n leuke levendige kerk? Ze staan er wel maar wat is er gebeurd dat al het leven eruit is gegaan? Er zijn bij ons toch ook vast wel mensen die behoefte hebben aan een plek om bij te komen op een bankje? Om hun verhaal te kunnen doen bij een empathische vaderfiguur die alle tijd en geduld van de wereld heeft? Om zich te laven aan mooi gezang of een preek die je niet snapt maar waarvan de stem je wel troost?’ Ik wist het niet.

Na drie dagen reden we weer de stad uit, het weer was opgeknapt. De pelgrims bleven in tegenovergestelde richting de stad in komen. Ik zag een vader met twee zoontjes, ze liepen aardig kwiek richting de poort. Een van de jongetjes verloor zijn jas, maar ze merkten het niet. Het is niet fijn om je jas te verliezen, dus we stopten, ik pakte de jas op en wilde ‘m aan een pelgrim mee geven die volgde. De man was net even gaan zitten, ik liep op hem af en toen ik dichterbij kwam zag ik hoe intens moe hij was. Hij was echt afgemat. Ik vroeg of het nog ging? ‘Yes’, zei hij met een dunne stem. ‘You’re nearly there’, zei ik. Hij had 800 km gelopen, vertelde hij me. Wauw! ‘Congratulations’.
Hij keek me aan en schoot vol. Ik ook. Wat een held.
Ik was er stil van, de hele weg terug naar de camping.

SantiagoDeCompostela1

Advertenties