Innerlijke revolutie

Afbeelding1

Het leuke van opruimen vind ik dat ik dan weer dingen vind. Op mijn buro heb ik een stapel papieren liggen die door het jaar heen alsmaar hoger wordt. Praktische informatie, mapjes met mijn lezingen, groepen, indelingen, maar ook allerlei teksten en briefjes met inspirerende quotes, gedichten of inhoudelijke artikelen, waar ik vast nog eens iets mee ga doen. Zo’n soort stapel. Niemand mag eraan komen want als ik iets nodig heb, vind ik het meestal daar. Wel ga ik er zelf eens per jaar doorheen, meestal in de kerstvakantie, om ‘m uit te dunnen. En dan vind ik, zoals vandaag, een mooie tekst van Krishnamurti, die ik alweer was vergeten. Het is zijn legendarische speech die hij in 1985 hield voor de United Nations in New York, de plek waar hij in 1984 de ‘Peace medal’ ontving.
Wat een actuele tekst! Ik vind ‘m zo mooi dat ik me moest bedwingen om ‘m niet helemaal te delen met jullie, maar ik besef dat ik een tekstfreak ben, dus hier een hoognodig kort fragment eruit.

“Probably since the beginning of man, human beings have had no peace at all. For various obvious reasons: nationalism, opposing religions, divisions of classes, races and so on. Why is it, after all these millenia, that human beings throughout the world don’t live in peace? Why is it our society in which we live, whether it is the American society, the European, or Indian, or Japanese, has not given us peace either? That society, the culture, the tradition, is created by all human beings. We have created this society.
Do we realize we are responsible for this? We human beings seem to be incapable of living peacefully in our relationship with each other, living peacefully without any dogmatism, ideals, concepts.”

“Is it possible for human beings wherever they live to be free of their conditioning? Free the brain from that conditioning? Is must begin with us, not with somebody else out there. We try to seek security outwardly, externally, through nations, through religious organizations, through ideologies. So it is very important that we discover for ourselves if there is an inner security, security in our relationships with each other, however intimate it may be, between lovers, between man and woman, security in community.
To go very far we must begin very near.
Our whole life is a routine, a series of battles, struggles, conflicts. If we don’t alter there, how can you bring about peace on earth? It seems to logical, so rational, sane, but we don’t do that.”

Heel mooi vind ik dat: om ver te kunnen gaan, moeten we dichtbij beginnen. Met het besef dat we zelf ook scheppers zijn van de onvrede en conflicten, in onze nabije omgeving. Dichtbij beginnen, kunnen we doen door te kijken naar onze eigen conditioneringen en routines, van waaruit we niet vrij reageren op onze omgeving, waardoor we sneller in conflicten belanden. Voor we het weten beantwoorden we een ongelukkige opmerking met een sneer, reageren we onmacht of onbegrip af, kijken we naar het onbekende met vijandschap in plaats van benieuwdheid, beantwoorden we agressie met agressie. Zoveel ongemakkelijke dingen in ons dagelijks leven kunnen vijandig gedrag oproepen, op straat, met buren, op het werk, met familie, of in liefdesrelaties.

Onlangs nog schoot dat door me heen, toen ik een boze moeder aan de telefoon had die haar gelijk haalde over de ‘rechten’ van haar dochter, ze slingerde zoveel rare en onredelijke dingen naar me toe, dat ik dacht: ‘ze is uit op oorlog’. Hoe verleidelijk is het dan om in die sfeer te reageren? Ik moest alles op alles zetten om niet terug te steken, maar om een time-out te nemen, terug naar mezelf, om uit een ander vaatje te kunnen tappen. Wat Krishnamurti noemt: het brein bevrijden van conditioneringen.

Het is als gedachtes die zich intern in je opstapelen; de ene gedachte roept de volgende op en voor je het weet worden ze tot een bouwwerk waar je in gaat geloven en naar gaat handelen. De ene narigheid roept de andere op en breidt zich uit tot een minioorlog. Wees het voor. Liever inkeren. Afdalen naar de diepere, stillere laag. Om contact te krijgen met de diepere innerlijke grond in jezelf, the inner security waar Krishnamurti het over heeft. De geest bevrijden van ballast.

Dan volgt er een stuk waarin hij spreekt over hoe we als individuen steeds weer geneigd zijn ons af te scheiden. Vrijheid wordt gezien als moeten en mogen doen wat je zelf wilt, eigen verlangens en expressie staan voorop en zijn onderscheidend. Maar dat is aan de oppervlakte. Als je goed kijkt, zie je dat we als mensheid op een dieper level een zijn: ieder mens leeft met onzekerheden, verwarring, angsten, plezier of gevoelens van eenzaamheid. Daarin zijn we een en staan we niet apart, waar we ook ter wereld leven. Als we ons afscheiden, of het nou van de ander is, of van iets in ons zelf, brengt dat conflict voort. Of zoals de Boeddhisten zeggen: afgescheidenheid creëert lijden.

“So how can one have external peace in the world, if one is not peaceful in oneself?
Unless each one of us fundamentally changes radically there will be no peace on earth as long as you are an American, Russian, European, and so on. So it behoves us (mooi woord, het betekent zoiets als: de noodzaak om het juiste te doen), and each one of us, to find out why we live this way. And whether it is possible radically to change our whole psyche. If there is not a revolution there, mere outward revolutions have very little meaning.”

Krishnamurti roept hier op tot een innerlijke revolutie, om uit te zoeken waarom we leven zoals we leven. To go very far we must begin very near. Zo simpel, zo logisch, maar ook zo radicaal, anders zou het geen revolutie heten. Het radicale eraan is dat je stopt met wachten op de regering, de maatschappij, de ander, je geliefde, of wie dan ook, tot die de onvrede en conflicten oplossen. Maar dat je beseft dat het begint bij jou; vrede bewerkstelligen in jezelf. En daarmee ontketen je vrede op jouw aarde.

Graag tot ziens in het nieuwe jaar.

 

Advertenties

Thuiskomen in de stilte

Een van de fijnste momenten van de dag vind ik de vroege ochtend, als iedereen om me heen nog slaapt. Dan lig ik een beetje te luisteren naar de hanen die in de verte kraaien, de paar vogels onder het raam, het regelmatige ademen van mijn man. En daar wentel ik me in..in die rust. Het is de stilte voor de storm. Voordat alles wakker wordt en losbarst in huis; douchen, aankleden, ontbijten, trommels vullen, gymbroek kwijt, opschieten, de dag en de tijd neemt het van ons over.

Ik hou van de stilte voor de storm, maar ook na de storm en tijdens. Ik hou sowieso van stilte. In de stilte ervaar ik wat ik echt van belang vind en kan ik momenten van totaal geluk ervaren. Ik sprak erover op de eerste bijeenkomst van mijn studietraject rond de boeddhistische Dzogchenleer, dat net voor de 7e keer weer van start is gegaan. Over de zin van meditatie en de zin van stilte. Ik las dit verhaaltje voor:

Er was een eenzame monnik die op een dag bezoek kreeg van enkele mensen. Nieuwsgierig vroegen ze hem wat voor nut het leven in stilte en meditatie had. De monnik, die net een emmer water haalde uit een diepe bron, stopte zijn werkzaamheden en zei: ‘Kijk eens in de bron. Wat zien jullie?’ 
De mensen tuurden naar het water en zeiden: ‘We zien helemaal niets.’ Enige tijd later herhaalde de monnik zijn vraag. ‘Kijk weer in de bron. Wat zien jullie nu?’ De mensen zeiden opgetogen: ‘We kunnen in de weerspiegeling onszelf zien!’ ‘Dat is de kracht van de stilte,’ legde de monnik uit. ‘Ik was water aan het putten en daarom was het water onrustig. Nu is het rustig en kunnen jullie jezelf zien. De stilte van meditatie zorgt ervoor dat je jezelf kunt zien. Maar blijf nog even hier wachten. ‘Enige tijd later zei de monnik: ‘Kijk nu nog een keertje in de bron. Wat zien jullie nu?’ 
De bezoekers zeiden: ‘Nu zien we de stenen op de bodem van de bron!’ ‘Juist,’ beaamde de monnik, ‘als je maar lang genoeg wacht en opgaat in stilte en meditatie, kun je de grond van alles aanschouwen.’
[Verhaal uit: De kleren van de yogi]

Dit verhaaltje illustreert dat je in de stilte niet alleen tot rust kunt komen, maar ook jezelf kunt zien en de grond van alles kunt aanschouwen. Zo rijk is de stilte.
En zo jammer dat er vaak zoveel geluid, ruis en ingevulde ruimte is in ons en om ons heen. Vanzelf gaat het niet. Je moet de stilte echt liefhebben en besluiten steeds weer op te zoeken, als een dierbare vriend die ver weg woont. Maar als je dat eenmaal doet, dan merk je meteen hoe fijn het is. Het is als thuiskomen en het werkt zuiverend: je kunt je gedachtes en emoties laten oplossen in de stilte. ‘Je geeft het zelf de gelegenheid te rusten en zichzelf te herstellen en te vernieuwen.’ Dat is waarom je je vaak zo verkwikt kunt voelen na een moment van meditatie of stille mijmering.

De deelnemers van het traject zoeken vanaf vandaag iedere dag 10 min. de stilte op, om te herstellen en zichzelf te vernieuwen. Hoe ze dat doen, mogen ze zelf weten, er is alleen één vaste regel: sla geen dag over. Want dan bouw je ‘meditatiespieren’ op en wil je na verloop van tijd vanzelf meer, en ga je het missen als je een dag zonder zit.
Doe je mee?
Je kunt een aantal dagelijkse meditaties vinden op de pagina Meditatie.

Succes, op de stilte!

Met of zonder ik

Afgelopen zaterdag las ik een essay in dagblad Trouw van prof.dr. André van der Braak met als titel ‘Boeddhisme, met of zonder ik’. Het stuk sprak me erg aan, ook omdat het zo aansloot bij het onderzoek dat ik aan het doen ben met de mensen die bij mij het studietraject ‘Pure en totale aanwezigheid’ volgen.
In het essay zegt van der Braak: ‘Het boeddhisme kan ons helpen ons individualisme te relativeren, door een heroverweging van sociale waarden als solidariteit, barmhartigheid, zorgzaamheid en dienstbaarheid. Anders gezegd: het gaat niet zozeer om een beter ik, maar om een nieuw wij.’ (leuk geformuleerd). En vervolgens gaat hij dieper in op een van de basiswaarden binnen het Boeddhisme: mededogen. Een prachtige eigenschap waar we van nature allemaal over beschikken, maar waar we in ons individualistische westen zo snel aan voorbijgaan.

In mijn boek ‘Een Zucht van verlichting’ wijd ik een hoofdstuk aan mededogen. Tijdens het studietraject hebben we gedurende een langere tijd geoefend met mededogen, in wat ik ons ‘laboratorium’ heb genoemd. Aan mededogen zelf valt niets te oefenen want het is er al, deze onafgebroken natuurlijke staat van zijn,  maar wel aan onze gerichtheid erop.

Uit Een Zucht: “Het onderzoek begon met dat we ons dagelijks openstelden voor het lijden van iets of iemand uit onze omgeving of uit de wereld. Dat kon van alles zijn: een beeld op het journaal, een bericht in de krant, iemand die ziek is, een familielid die hulp behoeft, een persoon op straat, iemand die stervende is.Onderdeel van de opdracht was om zodra je geraakt werd, je niet af te wenden of je persoonlijke voorkeur te laten spreken. Er zijn vele manieren van afwenden: het lijden afzwakken, wegkijken, je druk maken om je eigen sores, je beperken tot je eigen kringetje van mensen die je lief hebt, kwaad worden, denken dat je machteloos bent en dat je niks kunt veranderen. Het is vaak een kwestie van secondes, waarin je je wel of niet afwendt.
Ik moet denken aan toen mijn oudste zoon in het ziekenhuis lag omdat hij geopereerd was. Het was avond en ik ging na het bezoek weer naar huis. Ik liep door de verlaten gangen van het ziekenhuis op zoek naar waar ik eruit kon. Toen zag ik in de verte een vrouw in een rolstoel. Ze viel me op omdat ze daar zo moederziel alleen in die verlaten centrale hal was. Ik liep door want ik was moe, het waren lange dagen geweest in het ziekenhuis en ik wilde graag naar huis. Ik had de uitgang gevonden, maar toch knaagde het. Dus ik liep terug naar de vrouw en ik vroeg haar of er iets was. Toen zei ze: ‘Ik begrijp niet dat het cafetaria nu al dicht is, waar moet je dan heen ’s avonds als je wat wil drinken en om een praatje verlegen zit?’ Ze raakte me direct en ik ben even bij haar gebleven om een praatje te maken. Zo’n kleine moeite en ik was bijna doorgelopen.

Of het nou groot of klein is: je ziet het lijden, de pijn en je wendt je niet af maar blijft ermee in contact. Je wordt geraakt. Dan ervaar je mededogen. Daar volgt direct een spontane reactie op: een vanzelfsprekend natuurlijke drang tot geven. Door dit dagelijks te doen, merkten we dat we veel meer verbonden waren met anderen dan we hadden gedacht. We krijgen, na enige weken van oefening, steeds meer contact met mededogen, zodanig dat het op een gegeven moment vanzelf gaat, alsof de ‘natuur’ gewekt is.”

Van der Braak spreekt in zijn stuk over een ‘compassieveld’ dat manifest wordt. En omdat mededogen in onze diepste natuur besloten ligt, kun je daar zo op inpluggen. (zijn dan weer mijn woorden).
Voorbij de ik-gerichtheid, valt het onderscheid tussen jou en de ander weg. Het doorbreekt je persoonlijke voorkeur voor het liefhebben van je eigen ‘kringetje’. Beperkte liefde wordt alomvattende liefde.

Mededogen is ook op te wekken door het reciteren van deze mantra.

Meer over ons laboratorium in Een Zucht van verlichting, daar kun je ook de inleiding getiteld ‘Hekje’ lezen.