Afscheid van mijn moeder

Terwijl ik op Bali zat hoorde ik dat mijn moeder was overleden. Ook al was ze al lange tijd dement en kon het telefoontje ieder moment komen, toch was het een schok. Ik zat te trillen op de veranda van mijn huisje aan een sawah en voelde direct dat ik terug naar huis zou gaan, naar haar en mijn familie.
Afgelopen vrijdag hebben we haar begraven. Een intieme begrafenis in kleine kring. Het meest bijzondere vond ik dat ik tijdens de ceremonie dingen over mijn moeder hoorde die ik nog niet wist over haar. Dat ontroerde me en het maakt mijn beeld over haar veel completer. Sowieso komt ze sinds haar overlijden steeds meer terug. Hoe ze was in vol ornaat: lief, zonder oordeel, kwetsbaar, met een lichte humor, haar neus vaak in de (archeologie)boeken en beweeglijk op haar hakjes. Dat vind ik heel helend, want het was door de dementie steeds meer afgebrokkeld.

In een stoet gingen we achter de kist aan naar haar plek op de begraafplaats, mijn broer en onze oudste zoon waren mededragers. Stap voor stap beleefde ik die tocht over de heuvelachtige begraafplaats. En als de kist dan werkelijk de grond in zakt, is het afscheid onomkeerbaar. Een diep verdriet. En ook iets anders wat ik niet kon plaatsen.

Vandaag hield dat andere me bezig. Ook omdat ik een mail uit Indonesië kreeg van de mensen aan de sawah. Ineens was ik weer op Bali en ik besefte dat toen ze daar hoorde dat mijn moeder was overleden, een van de vrouwen mijn handen pakte en me aankeek met een blik vol empathie maar ook met hoop.
In het Hindoeïsme is er geen echt begin en geen echt einde: alles wat bestaat gaat in een andere vorm altijd door, ook na de dood, als de golven van de oceaan. De dood is een overgang. Vlak na het overlijden is er een tussenperiode, onder andere van rouw bedoeld voor de nabestaanden. Dat duurt 12 dagen, daarna wordt de overgang gemaakt.

Vandaag is het 12 dagen na haar overlijden. En het valt me op dat mijn gemoed lichter is vandaag, ik kreeg zelfs zin om te schrijven. Het leven komt erdoor heen. In het afdalen diep in de aarde, op de bodem van het verdriet stopt het niet, maar komen er ook impulsen van leven doorheen.
Ik vind de gedachte heel mooi (en inderdaad hoopgevend) dat mijn moeder met de naam Saskia van der Noordaa-Dominicus van den Bussche in de verschijning van een lieve elegante vrouw op hakjes, nu is overgegaan naar een andere vorm.

Met of zonder ik

Afgelopen zaterdag las ik een essay in dagblad Trouw van prof.dr. André van der Braak met als titel ‘Boeddhisme, met of zonder ik’. Het stuk sprak me erg aan, ook omdat het zo aansloot bij het onderzoek dat ik aan het doen ben met de mensen die bij mij het studietraject ‘Pure en totale aanwezigheid’ volgen.
In het essay zegt van der Braak: ‘Het boeddhisme kan ons helpen ons individualisme te relativeren, door een heroverweging van sociale waarden als solidariteit, barmhartigheid, zorgzaamheid en dienstbaarheid. Anders gezegd: het gaat niet zozeer om een beter ik, maar om een nieuw wij.’ (leuk geformuleerd). En vervolgens gaat hij dieper in op een van de basiswaarden binnen het Boeddhisme: mededogen. Een prachtige eigenschap waar we van nature allemaal over beschikken, maar waar we in ons individualistische westen zo snel aan voorbijgaan.

In mijn boek ‘Een Zucht van verlichting’ wijd ik een hoofdstuk aan mededogen. Tijdens het studietraject hebben we gedurende een langere tijd geoefend met mededogen, in wat ik ons ‘laboratorium’ heb genoemd. Aan mededogen zelf valt niets te oefenen want het is er al, deze onafgebroken natuurlijke staat van zijn,  maar wel aan onze gerichtheid erop.

Uit Een Zucht: “Het onderzoek begon met dat we ons dagelijks openstelden voor het lijden van iets of iemand uit onze omgeving of uit de wereld. Dat kon van alles zijn: een beeld op het journaal, een bericht in de krant, iemand die ziek is, een familielid die hulp behoeft, een persoon op straat, iemand die stervende is.Onderdeel van de opdracht was om zodra je geraakt werd, je niet af te wenden of je persoonlijke voorkeur te laten spreken. Er zijn vele manieren van afwenden: het lijden afzwakken, wegkijken, je druk maken om je eigen sores, je beperken tot je eigen kringetje van mensen die je lief hebt, kwaad worden, denken dat je machteloos bent en dat je niks kunt veranderen. Het is vaak een kwestie van secondes, waarin je je wel of niet afwendt.
Ik moet denken aan toen mijn oudste zoon in het ziekenhuis lag omdat hij geopereerd was. Het was avond en ik ging na het bezoek weer naar huis. Ik liep door de verlaten gangen van het ziekenhuis op zoek naar waar ik eruit kon. Toen zag ik in de verte een vrouw in een rolstoel. Ze viel me op omdat ze daar zo moederziel alleen in die verlaten centrale hal was. Ik liep door want ik was moe, het waren lange dagen geweest in het ziekenhuis en ik wilde graag naar huis. Ik had de uitgang gevonden, maar toch knaagde het. Dus ik liep terug naar de vrouw en ik vroeg haar of er iets was. Toen zei ze: ‘Ik begrijp niet dat het cafetaria nu al dicht is, waar moet je dan heen ’s avonds als je wat wil drinken en om een praatje verlegen zit?’ Ze raakte me direct en ik ben even bij haar gebleven om een praatje te maken. Zo’n kleine moeite en ik was bijna doorgelopen.

Of het nou groot of klein is: je ziet het lijden, de pijn en je wendt je niet af maar blijft ermee in contact. Je wordt geraakt. Dan ervaar je mededogen. Daar volgt direct een spontane reactie op: een vanzelfsprekend natuurlijke drang tot geven. Door dit dagelijks te doen, merkten we dat we veel meer verbonden waren met anderen dan we hadden gedacht. We krijgen, na enige weken van oefening, steeds meer contact met mededogen, zodanig dat het op een gegeven moment vanzelf gaat, alsof de ‘natuur’ gewekt is.”

Van der Braak spreekt in zijn stuk over een ‘compassieveld’ dat manifest wordt. En omdat mededogen in onze diepste natuur besloten ligt, kun je daar zo op inpluggen. (zijn dan weer mijn woorden).
Voorbij de ik-gerichtheid, valt het onderscheid tussen jou en de ander weg. Het doorbreekt je persoonlijke voorkeur voor het liefhebben van je eigen ‘kringetje’. Beperkte liefde wordt alomvattende liefde.

Mededogen is ook op te wekken door het reciteren van deze mantra.

Meer over ons laboratorium in Een Zucht van verlichting, daar kun je ook de inleiding getiteld ‘Hekje’ lezen.

Helpende reflex

Een van de leuke dingen van snuffelen in antiekwinkeltjes is dat je soms iets tegen het lijf loopt wat je in het reguliere circuit niet meer kan vinden. In mijn geval was dat een oud boekje getiteld ‘Dzogchen’, met daarin uitgewerkte lezingen van Z.H. de Dalai Lama, die hij gaf tijdens een rondreis langs Parijs, Londen en Helsinki, eind jaren ’80. Ik was zo blij met dit boekje dat ik me moest inhouden om de man van de winkel niet te omhelzen. Ik gaf hem de 5 euro (die voorin het boek met potlood stond geschreven) en snelde weg.

Ik heb er deze zomer doorlopend in gelezen. En een van de dingen die mij raakte was deze zin: ‘Hoofdoorzaak van geestelijke onrust en depressie is een gebrek aan genegenheid en affectie.’
‘Genegenheid en mededogen kunnen gevoelens van angst en wantrouwen wegnemen of verzachten.’ Dat is een verheugend bericht want iedereen kent wel iemand in zijn omgeving die kampt met depressie. En de meest directe hulp die dan geboden kan worden is het activeren van mededogen, een natuurlijke eigenschap waar we allemaal over beschikken.
Het is een vanzelfsprekende staat van zijn, een natuurlijke helpende reflex, die je ervaart als iemand vlak voor je neus valt, als er een ongeluk is gebeurd, of een van je naasten ziek is. Deze helpende reflex is er niet sporadisch maar onafgebroken. We gaan er echter vaak aan voorbij in het dagelijks leven.

Mededogen is een gevoel van nabijheid, maar ook van verantwoordelijkheid; het is het besef dat alles met elkaar verbonden is. Dat je niet alleen bent op je eigen eilandje, afgescheiden je eigen ding doen onder het mom van individualisme.
‘Iedere crisis is als een kettingreactie met iedere andere verbonden’, zo vervolgt de Dalai Lama. Eind jaren ’80 gezegd, nu zo actueel.
Crisis in Griekenland of Amerika, iedere dag stervende kinderen in Afrika..het is onlosmakelijk ook onze crisis.

De vraag die dit oproept is dus willen we er zorg voor dragen of wenden we ons af? Of het nou op macroniveau is of in ons privéleven; willen we vanuit mededogen reageren, er ruimte voor maken en ernaar handelen in ons dagelijks leven? Het is vaak een kleine moeite en het kan zoveel teweeg brengen, zoals blijkt uit dit voorbeeld van een vrouw die haar nieuwe buurvrouw bezoekt.
(uit: Een Zucht van verlichting, pag. 81).

Op een avond spreek ik met mijn nieuwe buurvrouw af om samen een wijntje te drinken en nader kennis te maken. Na de eerste koetjes en kalfjes, komen we te spreken over verlies in het leven en hoe je daar mee om kan gaan. Dan begint ze te vertellen over haar eigen ervaring met verlies. Ze heeft in één klap, door een ongeluk, drie geliefden verloren. Ik schrik in eerste instantie en voel hoe rauw en onverdraaglijk dit is. Maar ik blijf met mijn aandacht bij haar. Ik kon er helemaal voor haar zijn en meevoelen met haar, maar ik hoefde eigenlijk niets te doen want ze deed het zelf. Ik ervoer naast het verdriet en de pijn, ook de kracht van haar om de pijnlijke gebeurtenis een plaats te geven in haar leven. Het was pijnlijk, maar ook licht. Je zou kunnen zeggen dat het ik ver weg was en de zielsaanwezigheid dichtbij, zoiets.